Ga naar de inhoud
Menu overslaan
Title
Menu overslaan

bm

Het evangelie volgens Marcus in BGT
 
 
Hoofdstuk 1
 
 
 
 
 
 Johannes de Doper
 
 Johannes begint met zijn werk
 
 
 
   1 Hier begint het goede nieuws over Jezus Christus, de Zoon van God.
 
 
 
   2 In het boek Jesaja staan deze woorden van God: «Ik stuur mijn boodschapper vooruit. Hij moet de weg vrijmaken. 3 Hij roept in de woestijn: Opzij voor de Heer! Maak de weg klaar voor de Heer!»
 
 
 
   4 Die woorden gaan over Johannes de Doper. Hij leefde in de woestijn. Daar zei hij tegen de mensen: ‘Begin een nieuw leven en laat je dopen. Dan zal God je zonden vergeven.’ 5 Alle mensen uit Judea en Jeruzalem kwamen naar Johannes toe. Ze zeiden: ‘We hebben spijt van alles wat we verkeerd gedaan hebben.’ En Johannes doopte hen in de rivier de Jordaan.
 
 
 
   6 Johannes liep in een jas van kameelhaar, en hij had een leren riem om. Hij leefde van sprinkhanen en honing.
 
 Jezus wordt door Johannes gedoopt
 
 
 
   7 Johannes vertelde de mensen iets bijzonders. Hij zei: ‘Na mij komt iemand die veel machtiger is dan ik. Ik ben niet eens goed genoeg om zijn schoenen uit te trekken. 8 Ik heb jullie gedoopt met water. Maar hij zal jullie dopen met de heilige Geest.’
 
 
 
   9 In die tijd kwam ook Jezus naar Johannes toe. Jezus kwam uit Nazaret, een plaats in Galilea. Hij werd door Johannes gedoopt in de Jordaan. 10 Zodra Jezus weer uit het water kwam, zag hij dat de hemel openging. Uit de hemel kwam de Geest naar Jezus toe. Hij kwam naar beneden als een duif. 11 En Gods stem klonk uit de hemel: ‘Jij alleen bent mijn Zoon. Mijn liefde voor jou is groot.’
 
 Jezus is veertig dagen in de woestijn
 
 
 
   12 Meteen stuurde de Geest Jezus naar de woestijn. 13 Veertig dagen lang was Jezus in de woestijn. Satan probeerde hem te laten zondigen. Jezus leefde daar tussen de wilde dieren. Maar de engelen zorgden voor hem.
 
 Jezus begint met zijn werk
 
 Jezus vertelt het goede nieuws
 
 
 
   14 Toen Johannes de Doper gevangengenomen werd, ging Jezus terug naar Galilea. Daar vertelde hij het goede nieuws van God. 15 Hij zei: ‘Gods nieuwe wereld is dichtbij. Geloof dat goede nieuws! Dit is het moment om je leven te veranderen.’
 
 Jezus kiest zijn leerlingen uit
 
 
 
   16 Op een dag liep Jezus langs het Meer van Galilea. Daar zag hij twee broers: Simon en Andreas. Het waren vissers. Ze gooiden hun netten uit in het water. 17 Jezus zei tegen hen: ‘Kom, ga met mij mee. Ik zal jullie leren om mensen te vangen in plaats van vissen.’ 18 Meteen lieten Simon en Andreas hun netten liggen, en ze gingen met Jezus mee.
 
 
 
   19 Een eindje verder zag Jezus twee andere broers: Jakobus en Johannes. Hun vader heette Zebedeüs. Jakobus en Johannes zaten in hun boot netten te repareren. 20 Toen Jezus hen riep, gingen ze met hem mee. Ze lieten hun vader met zijn arbeiders in de boot achter.
 
 Jezus jaagt een kwade geest weg
 
 
 
   21 Jezus en zijn leerlingen gingen naar Kafarnaüm. Toen het sabbat was, gingen ze naar de synagoge. Daar gaf Jezus de mensen uitleg over God. 22 De woorden van Jezus maakten diepe indruk. De mensen dachten: Hij spreekt als iemand met macht! Hij spreekt heel anders dan de wetsleraren.
 
 
 
   23 Opeens begon er in de synagoge iemand te schreeuwen. Het was een man die een kwade geest in zich had. 24 Hij schreeuwde: ‘Jij daar, Jezus uit Nazaret! Laat me met rust! Je bent zeker gekomen om mij te vernietigen? Ik weet precies wie je bent. Jij bent gestuurd door God.’
 
 
 
   25 Maar Jezus zei streng tegen de kwade geest: ‘Stil! Ga weg uit die man.’ 26 De kwade geest schudde de man door elkaar, schreeuwde hard en verdween.
 
 
 
   27 Iedereen was stomverbaasd. De mensen zeiden tegen elkaar: ‘Wat is hier aan de hand? Jezus vertelt ons nieuwe dingen over God. Hij spreekt met macht. Zelfs de kwade geesten doen wat hij zegt.’
 
 
 
   28 En het nieuws over Jezus werd al snel bekend in heel Galilea.
 
 Jezus maakt zieken beter
 
 
 
   29 Toen Jezus en zijn leerlingen uit de synagoge kwamen, gingen ze naar het huis van Simon en Andreas. 30-31 Jezus hoorde dat de schoonmoeder van Simon met koorts in bed lag. Hij ging naar haar toe. Hij pakte haar hand vast en hielp haar opstaan. Toen had ze meteen geen koorts meer. Ze ging eten klaarmaken voor Jezus en zijn leerlingen.
 
 
 
   32-34 ’s Avonds laat, toen het donker was, kwamen alle inwoners van de stad naar Jezus toe. Ze hadden alle zieken meegenomen. En ook iedereen die een kwade geest in zich had. Jezus maakte veel mensen beter die allerlei verschillende ziektes hadden. Ook jaagde hij de kwade geesten weg uit de mensen. En hij zei tegen die kwade geesten: ‘Je mag aan niemand vertellen wie ik ben.’
 
 Jezus reist door Galilea
 
 Jezus reist verder
 
 
 
   35 ’s Ochtends vroeg, toen het nog donker was, stond Jezus op en ging naar buiten. Hij liep naar een stille plek buiten de stad. Daar wilde hij bidden. 36 Maar Simon en de andere leerlingen kwamen achter hem aan.
 
 
 
   37 Toen ze Jezus gevonden hadden, zeiden ze: ‘Iedereen zoekt u.’ 38 Maar Jezus zei: ‘We gaan weer verder. Ik moet het goede nieuws ook op andere plaatsen in de buurt vertellen. Daarom ben ik op weg gegaan.’
 
 Jezus wordt overal bekend
 
 
 
   39 Jezus reisde rond door heel Galilea. In alle synagogen vertelde hij het goede nieuws. En overal jaagde hij kwade geesten weg uit de mensen. 40 Er kwam ook een man met een huidziekte bij Jezus. Hij knielde voor Jezus en vroeg hem om hulp. De man zei: ‘Als u wilt, kunt u mij beter maken.’
 
 
 
   41 Jezus had medelijden met de man. Hij raakte hem aan en zei: ‘Ik wil dat je beter wordt.’ 42 Meteen werd de man beter. Zijn huidziekte was weg.
 
 
 
   43 Voordat Jezus de man liet gaan, waarschuwde hij hem. Hij zei: 44 ‘Denk erom, je mag aan niemand vertellen wat er gebeurd is.’ Ook zei hij: ‘Ga naar de tempel. Daar moet de priester vaststellen dat je beter bent. En je moet het offer brengen dat verplicht is volgens de wet van Mozes. Dan kunnen de mensen zien dat je echt beter bent.’
 
 
 
   45 Maar toen die man wegging, vertelde hij aan iedereen steeds weer wat er gebeurd was. Daardoor kon Jezus niet langer overal komen. Hij bleef op eenzame plaatsen. Maar zelfs daar kwamen de mensen van alle kanten naar hem toe.
 
 Het Nederlands Bijbelgenootschap bedankt Marko Zwier voor het aanschaffen van dit e-book.Ref: 1018428-4018799 – 36542
 
 
 
 
Marcus 2
 
 Een zieke man komt bij Jezus
 
 
 
   1-2 Een tijdje later kwam Jezus terug in Kafarnaüm. Toen de mensen hoorden dat hij er weer was, kwamen ze allemaal naar zijn huis. Zelfs buiten voor de deur was er geen plaats meer. Jezus vertelde de mensen over God.
 
 
 
   3 Toen kwamen er nog vier mensen aan. Ze droegen een man die niet kon lopen. 4 Maar door de drukte konden ze hem niet bij Jezus brengen. Daarom maakten ze een gat in het dak, precies boven Jezus. Ze lieten hun zieke vriend op zijn draagbed naar beneden zakken.
 
 
 
   5 Jezus zag dat die mensen in hem geloofden. Daarom zei hij tegen de man die niet kon lopen: ‘Ik vergeef je alles wat je verkeerd gedaan hebt.’
 
 Jezus laat zijn macht zien
 
 
 
   6 Er zaten een paar wetsleraren tussen de mensen. Die dachten bij zichzelf: 7 Zoiets mag hij helemaal niet zeggen! Hij beledigt God. Alleen God kan de zonden van mensen vergeven!
 
 
 
   8 Maar Jezus wist wat ze dachten. Daarom zei hij tegen hen: ‘Het is anders dan jullie denken. 9 Het lijkt makkelijk om tegen iemand die niet kan lopen, te zeggen: ‘Ik vergeef je alles wat je verkeerd gedaan hebt.’ Het lijkt veel moeilijker om tegen hem te zeggen: ‘Sta op, pak je draagbed op, en ga lopen.’ 10 Maar ik ben de Mensenzoon. God heeft mij de macht gegeven om te vergeven. Dat zal ik jullie laten zien.’
 
 Toen zei Jezus tegen de man die niet kon lopen: 11 ‘Sta op, pak je draagbed op, en loop naar huis.’ 12 Meteen stond de man op. Hij pakte zijn bed op en liep weg.
 
 Iedereen had gezien wat er gebeurd was. De mensen waren diep onder de indruk. Ze dankten God en zeiden: ‘Zoiets hebben we nog nooit meegemaakt!’
 
 Jezus gaat om met slechte mensen
 
 
 
   13 Jezus ging weer naar het meer. Er kwam een grote groep mensen naar hem toe. Jezus gaf ze uitleg over God. 14 Onderweg zag hij Levi, de zoon van Alfeüs, bij het tolhuis zitten. Jezus zei tegen hem: ‘Kom, ga met mij mee.’ Levi stond op en ging met Jezus mee.
 
 
 
   15 Later gingen Jezus en zijn leerlingen eten bij Levi thuis. Daar waren ook veel tollenaars en allerlei slechte mensen. Want er gingen steeds veel van dat soort mensen met Jezus mee. 16 De wetsleraren die bij de farizeeën hoorden, zagen wat Jezus deed. Ze zeiden tegen zijn leerlingen: ‘Je hoort niet te eten met tollenaars en slechte mensen.’
 
 
 
   17 Toen Jezus dat hoorde, zei hij: ‘Een dokter is er niet voor gezonde mensen, maar voor zieke mensen. Met mij is het net zo. Ik ben er niet voor goede mensen. Maar ik ben gekomen om aan slechte mensen het goede nieuws te vertellen.’
 
 Gasten op een bruiloft vasten niet
 
 
 
   18 De farizeeën hadden speciale dagen om God te eren. Op die dagen vastten ze. De leerlingen van Johannes de Doper deden dat ook. Iemand vroeg aan Jezus: ‘Waarom vasten uw leerlingen niet?’
 
 
 
   19 Jezus antwoordde: ‘Mijn leerlingen lijken op de gasten op een bruiloft. De gasten zeggen niet: ‘Vandaag eten wij niet.’ Nee, de gasten eten zolang de bruidegom bij hen is. Mijn leerlingen eten ook, zolang ik bij hen ben. 20 Maar er komt een tijd dat ik niet meer bij hen ben. Dan zullen mijn leerlingen op sommige dagen vasten.’
 
 
 
   21 Jezus zei ook: ‘Een oude jas met een scheur erin moet je niet herstellen met een nieuwe lap stof. Want als die nieuwe stof gaat krimpen, scheurt je jas nog verder kapot. 22 En jonge wijn moet je niet bewaren in oude wijnzakken. Want oude zakken scheuren open door de jonge wijn. Dan ben je de wijnzakken kwijt, en ook de wijn. Je moet jonge wijn bewaren in nieuwe wijnzakken.’
 
 Jezus bepaalt wat er mag op sabbat
 
 
 
   23 Op een keer liepen Jezus en zijn leerlingen door de korenvelden. Het was die dag sabbat. De leerlingen van Jezus plukten koren om iets te eten. 24 De farizeeën zeiden tegen Jezus: ‘Kijk nou! Waarom doen uw leerlingen iets dat op sabbat verboden is?’
 
 
 
   25 Maar Jezus zei tegen hen: ‘Jullie weten toch wel wat David ooit gedaan heeft, toen hij en zijn mannen erge honger hadden? 26 Dat was in de tijd dat Abjatar priester was. David ging de tempel in en hij at van het offerbrood. Alleen priesters mogen dat eten. Maar David at dat brood toch, en zijn mannen deden dat ook.’
 
 
 
   27 Jezus zei verder: ‘De sabbat is gemaakt voor de mens. De mens is niet gemaakt voor de sabbat. 28 Ik ben de Mensenzoon. Ik bepaal wat je op sabbat mag doen.’
 
 
 
Marcus 3
 
 Jezus maakt iemand beter op sabbat
 
 
 
   1 Jezus ging weer naar de synagoge. Daar was ook een man met een vergroeide hand. 2 De farizeeën letten goed op Jezus. Ze dachten: Als hij die man beter maakt op sabbat, kunnen we een klacht tegen hem indienen. 3 Jezus zei tegen de man: ‘Kom eens hier staan.’
 
 
 
   4 Toen zei Jezus tegen de farizeeën: ‘Mag je op sabbat iets goeds doen? Of is het beter om iets slechts te doen? Mag je op sabbat iemands leven redden? Of is het beter om iemand dood te laten gaan?’ Maar de farizeeën gaven geen antwoord. 5 Jezus keek hen aan. Hij was boos en verdrietig omdat ze hem niet wilden begrijpen.
 
 Jezus zei tegen de zieke man: ‘Steek je hand uit.’ De man stak zijn hand uit en meteen was de hand beter. 6 De farizeeën liepen weg. Ze maakten een plan om Jezus te doden. Ze maakten dat plan samen met de dienaren van koning Herodes.
 
 Veel mensen komen naar Jezus toe
 
 
 
   7-8 Jezus en zijn leerlingen gingen terug naar het meer. Een grote groep mensen uit Galilea ging met hen mee. En er kwamen nog veel meer mensen. Ze kwamen niet alleen uit Judea en Jeruzalem, maar ook uit andere landen en steden. Al die mensen hadden over Jezus gehoord. Daarom kwamen ze naar hem toe.
 
 
 
   9 Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Zorg dat er een boot klaarligt. Dan kan ik daar instappen als de mensen te veel dringen.’ 10 En inderdaad, alle zieken waren aan het dringen om vooraan te kunnen staan. Ze wilden Jezus aanraken. Want het was bekend dat Jezus al heel veel zieken beter gemaakt had.
 
 
 
   11 Mensen met een kwade geest lieten zich voor Jezus op de grond vallen. Dan riepen die kwade geesten: ‘Jij bent de Zoon van God!’ 12 Maar Jezus zei streng tegen hen: ‘Je mag aan niemand vertellen wie ik ben.’
 
 Jezus stelt twaalf apostelen aan
 
 
 
   13-14 Toen ging Jezus een berg op. Hij riep twaalf mensen bij zich, en ze kwamen naar hem toe. Jezus noemde hen ‘apostelen’. Hij gaf hun de opdracht om met hem mee te gaan, en overal het goede nieuws te vertellen. 15 Ook kregen ze de macht om kwade geesten uit mensen weg te jagen.
 
 
 
   16 De eerste van die twaalf was Simon. Jezus noemde hem Petrus. 17 Dan Jakobus en Johannes, twee broers. Hun vader was Zebedeüs. Jezus noemde hen Boanerges. Dat betekent: de donderaars. 18-19 Verder Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon Kananeüs en Judas Iskariot. Deze Judas Iskariot heeft later meegeholpen om Jezus gevangen te nemen.
 
 De familie van Jezus gaat naar hem toe
 
 
 
   20 Jezus en de leerlingen gingen weer naar huis. Maar ze kregen niet eens de kans om rustig te eten. Want er waren alweer heel veel mensen naar Jezus toe gekomen. 21 Ook de familie van Jezus hoorde wat er allemaal gebeurde. Ze gingen op weg om hem met zich mee te nemen. Want ze dachten: Hij is gek geworden.
 
 Jezus reageert op de wetsleraren
 
 
 
   22 Intussen waren er wetsleraren gekomen uit Jeruzalem. Ze zeiden: ‘Die Jezus heeft Satan in zich. Jezus kan kwade geesten wegjagen omdat Satan hem helpt. Want Satan is de leider van de kwade geesten.’
 
 
 
   23 Maar Jezus riep die wetsleraren bij zich. Hij zei: ‘Satan kan toch niet zichzelf wegjagen?’ Hij legde het uit met een paar voorbeelden. 24 Hij zei: ‘Als een land oorlog voert tegen zichzelf, dan blijft er van dat land niets over. 25 En als er binnen een familie ruzie is, dan valt die familie uit elkaar. 26 Met Satan is het net zo. Als Satan tegen zichzelf vecht, dan blijft hij niet bestaan, dan blijft er niets van hem over.’
 
 
 
   27 Jezus gaf nog een voorbeeld. Hij zei: ‘Het huis van een sterke man kun je niet zomaar leegroven. Je moet eerst die man vastbinden. Pas dan kun je zijn huis leeghalen.’
 
 
 
   28 Toen zei Jezus: ‘Luister goed naar mijn woorden: Alles wat de mensen verkeerd doen, wil God vergeven. Zelfs als mensen God beledigen, zal hij hen vergeven. 29 Maar als iemand de heilige Geest beledigt, krijgt hij geen vergeving. Zo iemand blijft altijd schuldig. Die fout is niet goed te maken.’ 30 Jezus zei dat, omdat de wetsleraren hadden gezegd: ‘Jezus heeft een kwade geest in zich.’
 
 De familie van Jezus komt bij hem
 
 
 
   31 Intussen waren de moeder en de broers van Jezus aangekomen bij het huis waar Jezus was. Ze bleven buiten staan en stuurden iemand naar binnen om hem te roepen. 32 Binnen zaten alle mensen om Jezus heen. Ze gaven het bericht aan hem door: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten. Ze zijn naar u op zoek.’
 
 
 
   33 Maar Jezus antwoordde: ‘Wie is mijn moeder? En wie zijn mijn broers?’ 34 Hij keek de mensen aan die om hem heen zaten. En hij zei: ‘Hier zit mijn moeder. Hier zitten mijn broers. 35 Want iedereen die doet wat God wil, die is mijn broer, mijn zus en mijn moeder.’
 
 
 
Marcus 4
 
 Jezus geeft voorbeelden
 
 Het voorbeeld van het zaad
 
 
 
   1 Jezus ging weer naar het meer. Opnieuw gaf hij de mensen uitleg over God. Er kwam een grote groep mensen om hem heen staan. Daarom stapte hij in een boot die daar lag. Vanaf het water sprak hij tegen alle mensen langs de kant. 2 Hij vertelde over God met een voorbeeld. Dat deed hij vaak.
 
 
 
   3 Hij zei: ‘Luister goed. Een boer gaat naar zijn land om te zaaien. 4 Hij strooit het zaad op het land, en een deel van het zaad valt op de weg. Dat wordt door de vogels opgegeten.
 
 
 
   5-6 Een ander deel van het zaad valt op harde grond vol stenen. Daar ligt maar een dun laagje aarde. Dat zaad komt wel snel op. Maar door die stenen kunnen er geen wortels in de grond groeien. Door de felle zon gaat het koren dood.
 
 
 
   7 Weer een ander deel van het zaad valt tussen het onkruid. Door het onkruid kan dat zaad niet groeien. Het krijgt geen ruimte en gaat dood. Daarom levert dat zaad niets op.
 
 
 
   8 Maar een ander deel van het zaad valt in goede grond. Dat zaad komt op en groeit goed. Het wordt goed koren vol graankorrels: dertig, zestig, of wel honderd graankorrels.’
 
 
 
   9 Toen zei Jezus: ‘Laat dat goed tot je doordringen!’
 
 Waarom gaf Jezus dat voorbeeld?
 
 
 
   10 Toen Jezus weer alleen was met alle leerlingen, de twaalf en de anderen, vroegen ze hem: ‘Waarom gaf u dat voorbeeld van het zaad in de grond?’
 
 
 
   11 Jezus zei tegen hen: ‘Aan jullie heb ik het geheim van Gods nieuwe wereld verteld. Maar aan de mensen die niet in mij geloven, geef ik alleen voorbeelden. 12 Op die manier zien ze wel wat er gebeurt, maar ze begrijpen het niet. Ze luisteren wel, maar ze snappen het niet. Dus krijgen ze geen spijt van hun verkeerde gedrag en krijgen ze ook geen vergeving van God.’
 
 Jezus legt het voorbeeld uit
 
 
 
   13 Jezus zei verder: ‘Als jullie het voorbeeld van het zaad al niet begrijpen, dan begrijpen jullie geen enkel voorbeeld. Ik zal het uitleggen. 14 Het zaad dat die boer op het land strooit, dat is het goede nieuws van God.
 
 
 
   15 Sommige mensen lijken op het zaad dat op de weg valt. Die mensen hebben het nieuws wel gehoord. Maar dan komt Satan, en die pakt het meteen weer van hen af.
 
 
 
   16 Andere mensen lijken op het zaad dat valt op harde grond vol stenen. Die mensen zijn blij als ze het nieuws horen. 17 Maar dat duurt niet lang. Ze houden het niet vol. Als ze in moeilijkheden komen door hun geloof, dan geven ze het meteen weer op.
 
 
 
   18-19 Weer anderen lijken op het zaad dat tussen het onkruid valt. Die mensen hebben het nieuws gehoord, maar ze doen er niets mee. Want ze maken zich zorgen over de dagelijkse dingen. Ze willen rijk worden en een prettig leven hebben. Dat vinden ze belangrijker.
 
 
 
   20 Maar er zijn ook mensen die lijken op het zaad dat in goede grond valt. Dat zijn de mensen die het nieuws over God horen, en het geloven. Zij leven zoals God het wil. Zij lijken op het goede zaad, dat koren oplevert met wel dertig, zestig of honderd graankorrels.’
 
 Jezus vertelt de mensen over God
 
 
 
   21 Jezus zei tegen de mensen: ‘Niemand zet een brandende lamp onder een emmer of onder een bed. Je zet een lamp juist hoog, zodat je het licht goed ziet. 22 Want alles wat verborgen is, moet zichtbaar worden. En alles wat geheim is, moet bekend worden. 23 Laat dat goed tot je doordringen!’
 
 
 
   24 Jezus zei verder: ‘Let goed op! God geeft net zo veel aan jou als jij aan anderen geeft. Hij doet er zelfs nog iets bij. 25 Iemand die veel heeft, krijgt nog meer. Maar iemand die bijna niets heeft, raakt ook het laatste nog kwijt.’
 
 Gods nieuwe wereld
 
 
 
   26 Jezus zei tegen de mensen: ‘Gods nieuwe wereld lijkt op een man die zaad gestrooid heeft op het land. 27 Die man gaat slapen en staat weer op. Elke dag opnieuw. Intussen groeit het zaad in de grond, en het wordt koren. Hoe dat gebeurt, weet die man niet. 28 Het is de aarde zelf die het laat groeien. Van de eerste groene puntjes tot het koren vol graankorrels. 29 Zodra het koren rijp is, snijdt de man het af. Want dan is de tijd van de oogst gekomen.’
 
 
 
   30 Jezus zei verder: ‘Willen jullie weten waar Gods nieuwe wereld op lijkt? Ik zal nog een voorbeeld geven. 31-32 Gods nieuwe wereld lijkt op een mosterdzaadje. Dat is het kleinste zaadje dat er is. Maar als je het zaait in de grond, dan groeit er uit dat kleine zaadje een boom. Die boom wordt het grootst van alle planten en krijgt dikke takken. In de schaduw van die boom kunnen vogels hun nest bouwen.’
 
 
 
   33 Jezus gebruikte ook nog andere voorbeelden om uitleg te geven over Gods nieuwe wereld. Alleen zo kon iedereen het goede nieuws begrijpen. 34 Als Jezus tegen de mensen sprak, gebruikte hij steeds voorbeelden. Maar aan zijn leerlingen legde hij alles uit.
 
 Jezus doet wonderen
 
 Jezus heeft macht over wind en water
 
 
 
   35 ’s Avonds zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Kom, we varen naar de overkant van het meer.’ 36 Jezus zat al in de boot. Ze gingen weg, terwijl de mensen achterbleven bij het meer. Er gingen ook nog andere boten mee. 37 Toen begon het hard te stormen. De golven sloegen over de boot, en de boot liep vol water.
 
 
 
   38 Jezus lag achter in de boot op een kussen te slapen. De leerlingen riepen: ‘Meester, word wakker! Doe toch iets, straks verdrinken we!’ 39 Jezus werd wakker. Hij zei streng tegen de wind en het water: ‘Houd op! Wees stil!’ Het hield op met waaien, en het water werd helemaal rustig.
 
 
 
   40 Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Waarom waren jullie zo bang? Hebben jullie nog steeds geen geloof in mij?’ 41 De leerlingen schrokken en waren diep onder de indruk. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Zelfs de wind en het water doen wat hij zegt. Wie is deze man?’
 
 
 
 
Marcus 5
 
 Een man met een kwade geest
 
 
 
   1 Ze gingen naar de andere kant van het meer. Daar was het gebied van de Gerasenen. 2-5 Toen Jezus uit de boot gestapt was, kwam er een man op hem af.
 
 Die man kwam tevoorschijn uit één van de grotten waar mensen begraven lagen. Daar woonde hij. Hij had een kwade geest in zich. De mensen bonden hem vaak vast met zware kettingen en handboeien. Maar dat duurde niet lang. De man trok de boeien los en maakte de kettingen kapot. Niemand was sterk genoeg om hem tegen te houden. Dus ging die man zijn gang. Dag en nacht stond hij lawaai te maken in de grotten en de bergen. En hij sloeg zichzelf met stenen.
 
 
 
   6 Toen de man Jezus in de verte zag, rende hij naar hem toe. Hij liet zich voor Jezus op de grond vallen. 7-8 Jezus zei tegen de kwade geest die in de man was: ‘Ga weg uit deze man!’ Maar de kwade geest schreeuwde: ‘Jij daar, Jezus, Zoon van de allerhoogste God! Laat me met rust! Ik smeek je, doe me geen pijn.’
 
 Jezus jaagt de kwade geesten weg
 
 
 
   9 Jezus vroeg aan de man: ‘Hoe heet je?’ Hij zei: ‘Ik heet Leger. Want er zit een leger kwade geesten in me.’ 10 De kwade geesten zeiden tegen Jezus: ‘Stuur ons alsjeblieft niet weg uit dit gebied.’ 11 Toevallig liep daar in de bergen een grote groep varkens. 12 De kwade geesten vroegen aan Jezus: ‘Mogen we in die varkens gaan?’ 13 Dat vond Jezus goed.
 
 De kwade geesten gingen weg uit de man. Ze gingen in de varkens. Meteen renden de varkens van de steile berg af, en ze vielen in het meer. Alle varkens verdronken. Het waren er wel tweeduizend.
 
 De mensen willen dat Jezus weggaat
 
 
 
   14-15 De mannen die op de varkens gepast hadden, vluchtten weg. Ze vertelden overal wat ze gezien hadden. De mensen gingen kijken wat er gebeurd was. Ze kwamen bij Jezus. Daar zagen ze ook de man die eerst een leger kwade geesten in zich had. Nu zat hij daar rustig, met kleren aan en helemaal normaal. De mensen schrokken ervan.
 
 
 
   16 Een paar mensen hadden alles gezien. Ze vertelden het aan de anderen. Ze zeiden dat de kwade geesten in de varkens gegaan waren. En ze vertelden wat er daarna met die varkens gebeurd was. 17 Toen de mensen dat hoorden, zeiden ze tegen Jezus: ‘Ga alstublieft weg uit ons gebied.’
 
 
 
   18 Jezus stapte in de boot. De man die eerst kwade geesten in zich had, wilde heel graag mee. 19 Maar Jezus zei: ‘Nee. Ik wil dat je teruggaat naar je huis en je familie. Vertel hun wat de Heer voor jou gedaan heeft, en hoe goed hij voor je geweest is.’
 
 
 
   20 De man ging naar het gebied dat Dekapolis heet. Daar begon hij te vertellen wat Jezus voor hem gedaan had. En iedereen die het hoorde, was verbaasd.
 
 Jaïrus komt bij Jezus
 
 
 
   21 Jezus en zijn leerlingen gingen weer met de boot naar de overkant van het meer. Daar kwam een grote groep mensen naar Jezus toe. 22 Er kwam ook een man die Jaïrus heette. Hij was een leider van de synagoge. Jaïrus zag Jezus en knielde voor hem. 23 Hij zei tegen Jezus: ‘Luister alstublieft naar mij. Mijn dochter gaat dood! Kom alstublieft mee en leg uw handen op haar hoofd. Dan zal ze beter worden en blijven leven.’
 
 
 
   24 Toen ging Jezus met Jaïrus mee.
 
 Een zieke vrouw raakt Jezus aan
 
 Een grote groep mensen volgde Jezus, en iedereen duwde tegen hem aan. 25 Tussen de mensen liep ook een vrouw die al twaalf jaar ziek was. Ze verloor steeds bloed. 26 Allerlei dokters hadden haar behandeld, maar de pijn was alleen maar erger geworden. Ze had al haar geld aan die dokters uitgegeven. Maar het was niet beter geworden, alleen maar slechter.
 
 
 
   27 Die vrouw had over Jezus gehoord. Ze ging tussen de mensen door totdat ze vlak achter Jezus was, en ze raakte zijn jas aan. 28 Want ze dacht: Om beter te worden, hoef ik alleen maar zijn kleren aan te raken. 29 En inderdaad, het bloeden stopte meteen. De vrouw voelde dat ze helemaal beter was.
 
 
 
   30 Op hetzelfde moment voelde Jezus dat er kracht uit hem wegging. Hij draaide zich om naar de mensen en zei: ‘Wie heeft mij aangeraakt?’ 31 De leerlingen zeiden tegen hem: ‘Hoe kunt u dat nu vragen? Iedereen staat hier tegen u aan te duwen!’ 32 Maar Jezus keek rond. Hij wilde weten wie hem aangeraakt had.
 
 
 
   33 De vrouw begreep wat er gebeurd was. Bevend van angst kwam ze naar voren en knielde voor Jezus. En ze vertelde hem eerlijk wat er gebeurd was. 34 Jezus zei tegen haar: ‘Je bent beter geworden dankzij je geloof. Je kunt gerust zijn, je ziekte is weg.’
 
 Jezus maakt de dochter van Jaïrus weer levend
 
 
 
   35 Terwijl Jezus nog sprak tegen de vrouw, kwam er iemand met een bericht voor Jaïrus. Hij zei: ‘Uw dochter is gestorven. U kunt Jezus nu maar beter met rust laten.’ 36 Jezus hoorde dat en zei tegen Jaïrus: ‘Wees niet bang! Blijf geloven.’
 
 
 
   37 Jezus liet niemand meegaan, behalve Petrus, en de broers Jakobus en Johannes. 38 Ze kwamen bij het huis van Jaïrus. Daar hoorden ze veel lawaai. Binnen stond een groep mensen te huilen en te schreeuwen. 39 Jezus zei: ‘Waarom staan jullie zo hard te huilen? Het meisje is niet gestorven, maar ze slaapt.’
 
 
 
   40 De mensen lachten hem uit. Maar Jezus stuurde iedereen naar buiten. Hij nam alleen de ouders van het meisje mee, en de drie leerlingen. Ze gingen naar de kamer waar het meisje lag. 41 Jezus pakte haar hand vast en zei: ‘Talita koem.’ Dat betekent: ‘Meisje, sta op!’ 42 Meteen stond het meisje op en ze begon te lopen. Ze was twaalf jaar.
 
 Iedereen die het gezien had, was stomverbaasd. 43 Jezus zei tegen hen: ‘Niemand mag dit te weten komen!’ En hij zei ook: ‘Geef haar wat te eten.’
 
 
 
Marcus 6
 
 Wie is Jezus?
 
 Jezus bezoekt de stad van zijn familie
 
 
 
   1 Jezus ging naar de stad waar zijn familie woonde. Zijn leerlingen gingen met hem mee. 2 Op sabbat gingen ze naar de synagoge. Daar gaf Jezus de mensen uitleg over God.
 
 Veel mensen die Jezus hoorden spreken, waren erg verbaasd. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Hoe weet hij dat allemaal? Hoe komt hij aan die wijsheid? En hoe zit het met al die wonderen die hij doet? 3 Hij is toch de timmerman, de zoon van Maria? Zijn broers zijn Jakobus, Joses, Judas en Simon. En zijn zussen wonen hier bij ons.’
 
 De mensen daar wilden niets met Jezus te maken hebben. 4 Daarom zei Jezus: ‘Een profeet wordt door iedereen met respect behandeld. Behalve door de mensen in zijn eigen stad en door zijn eigen familie.’
 
 
 
   5 Jezus kon in die stad geen enkel wonder doen. Hij maakte alleen een paar zieken beter door zijn handen op hun hoofd te leggen. 6 Hij was verbaasd dat de mensen in die stad helemaal geen geloof hadden.
 
 Jezus stuurt zijn leerlingen op weg
 
 Jezus ging naar de dorpen in de buurt, en gaf de mensen uitleg over God. 7 Op een dag riep hij de twaalf leerlingen bij zich. Hij stuurde ze twee aan twee op weg. Hij gaf ze de macht om kwade geesten weg te jagen. 8 Hij zei: ‘Je mag niets meenemen op je reis. Geen brood, geen tas en geen geld, alleen een stok. 9 Je mag wel schoenen dragen, maar geen extra kleren aantrekken.’
 
 
 
   10 Verder zei Jezus tegen hen: ‘Als mensen je uitnodigen in hun huis, blijf daar dan totdat je weer verder reist. 11 Maar als mensen je niet binnenlaten en niet naar je luisteren, dan moet je meteen verder reizen. Je moet op die plaats het stof van je voeten vegen. Zo laat je zien dat die mensen de verkeerde keus gemaakt hebben.’
 
 
 
   12 De leerlingen gingen op weg. Ze zeiden tegen de mensen: ‘Jullie moeten een nieuw leven beginnen.’ 13 Ze jaagden uit veel mensen kwade geesten weg. En ze maakten veel zieken beter, waarbij ze wat olie over hen heen goten.
 
 De mensen vragen zich af wie Jezus is
 
 
 
   14-16 Jezus werd overal bekend. Sommige mensen zeiden: ‘Het is Johannes de Doper. Hij is opgestaan uit de dood, daarom kan hij al die wonderen doen.’ Anderen zeiden: ‘Het is Elia.’ En weer anderen zeiden: ‘Het is zo’n profeet van vroeger.’
 
 Ook koning Herodes hoorde over Jezus. Hij dacht: Dat moet Johannes zijn. Ik heb hem laten doden, maar hij is opgestaan uit de dood.
 
 De dood van Johannes de Doper
 
 Johannes wordt gevangengenomen
 
 
 
   17-18 Nu volgt het verhaal over de dood van Johannes de Doper.
 
 Koning Herodes had Herodias als vrouw genomen. Maar zij was al de vrouw van zijn broer Filippus. En Johannes had tegen de koning gezegd: ‘U mag niet trouwen met de vrouw van uw broer.’ Daarom had de koning Johannes laten grijpen en hem in de gevangenis opgesloten.
 
 
 
   19 Herodias haatte Johannes, ze wilde hem dood hebben. Maar ze kreeg haar zin niet. 20 Want de koning had veel respect voor Johannes. Hij wist dat Johannes eerlijk was en dat hij bij God hoorde. Daarom beschermde de koning hem. Vaak werd hij onrustig van de dingen die Johannes zei. Toch luisterde hij graag naar hem.
 
 Johannes wordt gedood
 
 
 
   21 Op een dag kreeg Herodias haar kans. Koning Herodes was jarig en gaf een groot feest. Hij nodigde zijn bestuurders en de legerleiders uit, en de belangrijke mensen uit Galilea.
 
 
 
   22 Op het feest danste de dochter van Herodias voor de koning en zijn gasten. Iedereen genoot ervan. Daarom zei de koning tegen haar: ‘Je mag een cadeau kiezen. Zeg maar wat je wilt. 23 Alles wat je kiest, zal ik je geven. Dat beloof ik je. Zelfs al is het de helft van mijn koninkrijk.’
 
 
 
   24 Het meisje liep weg en vroeg aan haar moeder: ‘Wat zal ik kiezen?’ Haar moeder zei: ‘Het hoofd van Johannes de Doper.’ 25 Meteen holde het meisje terug en zei tegen de koning: ‘Ik wil nu direct het hoofd van Johannes de Doper op een bord.’
 
 
 
   26 Koning Herodes vond het vreselijk dat ze dat wilde. Maar hij kon er niets meer aan doen. Hij had het beloofd, en alle gasten hadden het gehoord. 27 Hij gaf meteen een soldaat de opdracht: ‘Breng het hoofd van Johannes hier.’ De soldaat ging naar Johannes in de gevangenis en hakte zijn hoofd af. 28 Hij bracht het hoofd binnen op een bord en gaf het aan het meisje. En het meisje bracht het hoofd naar haar moeder.
 
 
 
   29 De leerlingen van Johannes hoorden wat er gebeurd was. Ze gingen het lichaam van Johannes halen en legden het in een graf.
 
 Er komen veel mensen bij Jezus
 
 De mensen gaan achter Jezus aan
 
 
 
   30 De leerlingen die door Jezus op weg waren gestuurd, kwamen terug. Ze vertelden Jezus wat ze allemaal gedaan hadden. En wat ze de mensen geleerd hadden over God. 31 Jezus zei tegen hen: ‘Kom, we gaan naar een stille plek om wat uit te rusten.’ Want er kwamen steeds zo veel mensen, dat Jezus en de leerlingen niet eens even konden eten.
 
 
 
   32 Jezus en de leerlingen gingen met de boot naar een stille plek. 33 Maar veel mensen zagen hen wegvaren en begrepen waar ze heen gingen. Overal vandaan liepen mensen snel naar die plek toe. Ze waren er nog eerder dan Jezus en de leerlingen.
 
 
 
   34 Toen Jezus uit de boot stapte, zag hij al die mensen staan. Hij kreeg medelijden met hen, want hij dacht: Het lijken wel schapen zonder herder. Daarom begon hij hun uitleg te geven over God.
 
 Jezus geeft veel mensen te eten
 
 
 
   35-36 Toen het avond werd, zeiden de leerlingen tegen Jezus: ‘U moet al die mensen wegsturen. Want het is al laat, en hier is geen eten te krijgen. Ze kunnen beter eten gaan kopen in de dorpen en bij de boeren in de buurt.’
 
 
 
   37 Maar Jezus zei tegen hen: ‘Nee, geven jullie hun maar te eten.’ De leerlingen zeiden: ‘Meent u dat echt? Hoe komen we aan het geld om voor al die mensen eten te kopen?’ 38 Jezus zei: ‘Kijk eerst eens hoeveel eten we bij ons hebben.’ De leerlingen gingen kijken en zeiden: ‘We hebben vijf broden en twee vissen.’ 39 Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Alle mensen moeten in groepen op het gras gaan zitten.’ 40 De mensen gingen zitten in groepen van vijftig en honderd personen.
 
 
 
   41 Toen nam Jezus het brood en de vis. Hij keek omhoog naar de hemel en dankte God voor het voedsel. Daarna brak hij het brood in stukken en verdeelde de vis. Hij gaf het aan de leerlingen, en zij deelden het uit aan de mensen.
 
 
 
   42 Alle mensen konden eten zo veel als ze wilden. 43 De leerlingen haalden het eten op dat overgebleven was. Het waren twaalf manden vol brood en vis. 44 Er hadden wel vijfduizend mensen van het brood gegeten!
 
 Jezus loopt over het water
 
 
 
   45-46 Jezus zei tegen de leerlingen dat ze naar de boot moesten gaan. Ze moesten alvast naar de overkant varen, naar de plaats Betsaïda. Jezus ging niet mee. Hij stuurde de mensen naar huis. Toen iedereen weg was, ging Jezus een berg op om te bidden.
 
 
 
   47-49 Het werd nacht. De boot was midden op het meer. Hij kwam bijna niet vooruit. De leerlingen roeiden wel hard, maar ze hadden tegenwind. Jezus stond op de berg. Hij zag dat de leerlingen het moeilijk hadden. Aan het einde van de nacht liep hij over het water naar de boot. Toen hij de boot voorbij wilde gaan, zagen de leerlingen hem op het water lopen. Ze dachten dat het een geest was, en schreeuwden het uit van schrik. 50 Alle leerlingen zagen hem en ze waren vreselijk bang.
 
 Maar Jezus zei: ‘Rustig maar, ik ben het. Jullie hoeven niet bang te zijn.’ 51 Jezus stapte bij hen in de boot, en het hield op met waaien. De leerlingen waren stomverbaasd. 52 Ze hadden het wonder van het brood en de vis niet begrepen. Ze leken wel blind.
 
 Jezus komt in Gennesaret
 
 
 
   53 Jezus en de leerlingen gingen met de boot naar de overkant van het meer. Ze gingen aan land bij het gebied Gennesaret. 54 Zodra ze uit de boot kwamen, werd Jezus door de mensen herkend.
 
 
 
   55 Overal waar Jezus was, kwamen de mensen uit de omgeving snel naar hem toe. Ze brachten de zieke mensen naar hem toe op draagbedden. 56 In elke stad en in elk dorp waar Jezus kwam, werden de zieken op straat neergelegd. De mensen vroegen aan Jezus: ‘Mogen deze mensen alstublieft de rand van uw jas aanraken?’ Want iedereen die hem aanraakte, werd beter.
 
 
 
 
Marcus 7
 
 Rein en onrein
 
 Kritiek op farizeeën en wetsleraren
 
 
 
   1 Er kwamen een paar farizeeën en wetsleraren uit Jeruzalem bij Jezus. 2 Zij zagen dat sommige leerlingen van Jezus gingen eten zonder eerst hun handen te wassen. En dat vonden ze verkeerd. 3 Want de farizeeën wassen altijd hun handen voor het eten. Dat doen trouwens alle Joden. Het is een gewoonte die bij hen al eeuwenlang bestaat. 4 Als ze op de markt zijn geweest, wassen ze zich eerst. Pas daarna gaan ze eten. Ze houden zich ook aan allerlei andere regels. Zoals het afspoelen van bekers, kruiken en schalen.
 
 
 
   5 De farizeeën en de wetsleraren vroegen aan Jezus: ‘Waarom houden uw leerlingen zich niet aan de regels? Waarom wassen ze hun handen niet? Ze eten met onreine handen!’ 6 Jezus antwoordde: ‘Wat zijn jullie schijnheilig! In het boek Jesaja staan woorden van God die precies over jullie gaan: «Deze mensen eren mij met mooie woorden. Maar in hun hart willen ze niets met mij te maken hebben. 7 Wat heb ik aan hun eerbied? Ze vertellen niet wat ik wil, maar maken hun eigen regels.»’
 
 
 
   8 Jezus zei tegen de farizeeën en wetsleraren: ‘Jullie schuiven de regels van God aan de kant. En jullie houden je aan regels van mensen. 9 Jullie zijn er goed in om Gods regels af te schaffen! Zo kunnen jullie dan je eigen regels maken.
 
 
 
   10 In de wet van Mozes staat: «Je moet respect hebben voor je vader en moeder.» En er staat ook: «Als iemand zijn vader of moeder vervloekt, dan moet hij gedood worden.» 11 Maar jullie hebben een andere regel bedacht. Iemand mag volgens jullie tegen zijn ouders zeggen: ‘Ik heb mijn hele bezit aan God beloofd, ik kan jullie er niets van geven.’ 12 Die persoon mag dan helemaal niets meer aan zijn ouders geven. 13 Jullie maken je eigen regels belangrijker dan de wet van God. En dat soort slechte dingen doen jullie voortdurend.’
 
 Het verschil tussen rein en onrein
 
 
 
   14 Jezus riep de mensen weer bij zich. Hij zei: ‘Luister allemaal goed naar mij en probeer het te begrijpen. 15-16 Een mens wordt niet onrein van de dingen die bij hem naar binnen gaan. Nee, een mens wordt juist onrein van de dingen die uit hem naar buiten komen.’
 
 
 
   17 Toen Jezus en de leerlingen in een huis waren zonder andere mensen, vroegen de leerlingen: ‘Wat bedoelde u daarmee?’ 18 Jezus zei: ‘Dat zouden jullie moeten begrijpen! Alles wat je eet, gaat van buiten naar binnen. Dat is bekend. 19 Het komt niet in je hart terecht, maar in je maag. En ten slotte verdwijnt het in het riool. Jullie snappen toch wel dat eten een mens niet onrein kan maken?’ Zo liet Jezus zien dat je alles mag eten.
 
 
 
   20 Jezus zei verder: ‘Een mens wordt onrein van de dingen die uit hem naar buiten komen. 21-23 Want alle slechte dingen die een mens doet, komen uit zijn eigen hart: slechte gedachten, verboden seks, moord, belediging, trots en domheid. En ook vreemdgaan, stelen, graaien, liegen, gemeen zijn, jaloers zijn op anderen, en je nergens voor schamen. Al die slechtheid maakt een mens onrein.’
 
 Jezus doet wonderen
 
 Jezus maakt een meisje beter
 
 
 
   24 Jezus ging naar de omgeving van de stad Tyrus. Hij was daar bij iemand in huis. Hij wilde zijn bezoek geheimhouden, maar de mensen ontdekten toch dat hij er was. 25-26 Al snel kwam er een vrouw naar hem toe die over hem gehoord had. De vrouw was niet Joods, ze kwam uit het gebied van Tyrus. Ze had een dochter die een kwade geest in zich had.
 
 De vrouw knielde voor Jezus en vroeg: ‘Wilt u de kwade geest uit mijn dochter wegjagen?’
 
 
 
   27 Maar Jezus antwoordde: ‘Eerst mogen de kinderen eten zo veel als ze lusten. Het is verkeerd om het brood voor de kinderen aan de honden te voeren.’ 28 De vrouw antwoordde: ‘Maar Heer, de kinderen laten soms stukjes brood op de grond vallen. Dat mogen de honden onder de tafel opeten.’ 29 Jezus zei tegen haar: ‘Dat heb je goed gezegd. Ga maar rustig naar huis. De kwade geest is al weg uit je dochter.’
 
 
 
   30 Toen de vrouw thuiskwam, lag haar dochter in bed. De kwade geest was weg.
 
 Jezus maakt een dove man beter
 
 
 
   31 Jezus ging weer verder. Hij ging via de stad Sidon naar het Meer van Galilea. Onderweg kwam hij door het gebied Dekapolis. 32 Daar brachten mensen een man bij hem die doof was en slecht kon praten. Ze zeiden: ‘Leg alstublieft uw hand op hem.’
 
 
 
   33 Jezus nam de man met zich mee, weg van de mensen. Hij stak zijn vingers in de oren van de man. En hij deed wat spuug op de tong van de man. 34 Toen keek Jezus omhoog naar de hemel. Hij zuchtte diep. En hij zei: ‘Effata!’ Dat betekent: ‘Ga open!’ 35 Meteen gingen de oren van de man open. Hij kon zijn tong bewegen en goed praten.
 
 
 
   36 Jezus zei streng tegen de mensen die daar waren: ‘Jullie mogen aan niemand vertellen wat er gebeurd is.’ Maar dat hielp niets. De mensen vertelden het toch door. 37 Iedereen was diep onder de indruk. Ze zeiden: ‘Alles wat Jezus doet, is geweldig. Hij kan zelfs mensen helpen die niet kunnen horen of praten.’
 
 
 
Marcus 8
 
 Jezus geeft veel mensen te eten
 
 
 
   1 Op een keer waren er weer veel mensen bij Jezus gekomen. Ze hadden geen eten bij zich. Daarom riep Jezus zijn leerlingen en zei: 2 ‘Ik maak me zorgen over deze mensen. Ze zijn nu al drie dagen hier zonder eten. 3 Als ik ze nu laat gaan, zullen ze de reis naar huis niet volhouden. Sommigen moeten een heel eind reizen.’
 
 
 
   4 De leerlingen antwoordden: ‘Maar hoe komen we aan genoeg eten voor al die mensen? Hier is niets te krijgen.’ 5 Jezus vroeg: ‘Hoeveel eten hebben we bij ons?’ De leerlingen antwoordden: ‘We hebben zeven broden.’
 
 
 
   6 Toen zei Jezus tegen de mensen dat ze op de grond moesten gaan zitten. Hij nam het brood en dankte God voor het voedsel. Daarna brak hij het brood in stukken. Hij gaf het aan de leerlingen, en zij deelden het uit aan de mensen.
 
 
 
   7 Ze hadden ook een paar kleine vissen bij zich. Jezus dankte God daarvoor. Daarna deelden de leerlingen ook de vis uit.
 
 
 
   8 De mensen konden eten zo veel als ze wilden. Daarna haalden de leerlingen het eten op dat over was. Het waren zeven manden vol.
 
 
 
   9 Er waren daar ongeveer vierduizend mensen. Na het eten stuurde Jezus hen naar huis.
 
 De farizeeën vragen om een teken
 
 
 
   10 Daarna stapten Jezus en de leerlingen in de boot. Ze gingen naar het gebied Dalmanuta. 11 Daar kwamen farizeeën naar Jezus toe. Ze begonnen een discussie met hem. Ze zeiden: ‘Bewijs maar eens met een teken dat u door God gestuurd bent!’ Ze wilden laten zien dat Jezus dat niet kon.
 
 
 
   12 Jezus zuchtte diep en zei: ‘Waarom willen deze mensen toch een teken zien? Luister goed naar mijn woorden: Mensen zoals jullie krijgen zeker geen teken te zien!’ 13 Toen liet Jezus de farizeeën daar achter, en stapte met de leerlingen weer in de boot. Ze gingen naar de overkant van het meer.
 
 Jezus vertelt over zichzelf
 
 De leerlingen begrijpen het niet
 
 
 
   14 De leerlingen waren vergeten om eten mee te nemen. Ze hadden maar één stuk brood bij zich in de boot. 15 Jezus waarschuwde hen. Hij zei: ‘Pas op voor de gevaarlijke invloed van de farizeeën en van Herodes.’ 16 Maar de leerlingen bespraken intussen met elkaar dat ze geen eten hadden.
 
 
 
   17 Toen Jezus dat merkte, zei hij: ‘Waarom bespreken jullie met elkaar dat je geen eten hebt? Hebben jullie er dan niets van begrepen? Jullie lijken wel blind! 18 Jullie hebben ogen, maar jullie zien niets. Jullie hebben oren, maar jullie horen niets. 19 Laatst verdeelde ik vijf broden onder vijfduizend mensen. Zeg eens, hoeveel manden hebben jullie toen opgehaald met brood dat over was?’ De leerlingen zeiden: ‘Twaalf manden.’
 
 
 
   20 Jezus zei: ‘En later verdeelde ik zeven broden onder vierduizend mensen. Zeg eens, hoeveel manden vol brood hebben jullie toen opgehaald?’ Ze zeiden: ‘Zeven.’ 21 Toen zei Jezus: ‘Jullie zouden het nu toch moeten begrijpen!’
 
 Jezus maakt een blinde man beter
 
 
 
   22 Jezus en de leerlingen kwamen in Betsaïda. Een paar mensen brachten een blinde man bij Jezus. Ze vroegen: ‘Wilt u deze man alstublieft aanraken?’
 
 
 
   23 Jezus nam de blinde man bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Hij deed spuug op de ogen van de man. Toen legde hij zijn handen op hem en vroeg: ‘Zie je iets?’
 
 
 
   24 De man keek rond en zei: ‘Ik zie mensen, maar het lijken net bomen die rondlopen.’ 25 Jezus legde nog een keer zijn handen op de ogen van de man. Toen de man zijn ogen opendeed, kon hij zien. Nu zag hij alles goed. 26 Jezus zei tegen hem: ‘Ga naar je huis, maar ga niet naar het dorp.’
 
 Jezus vraagt de leerlingen wie hij is
 
 
 
   27 Jezus en de leerlingen gingen naar de dorpen in de buurt van de stad Caesarea Filippi. Onderweg vroeg hij aan zijn leerlingen: ‘Wie ben ik volgens de mensen?’
 
 
 
   28 De leerlingen antwoordden: ‘Sommige mensen zeggen dat u Johannes de Doper bent. Anderen zeggen dat u Elia bent. Weer anderen zeggen dat u één van de profeten van vroeger bent.’
 
 
 
   29 Toen vroeg Jezus: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘U bent de messias.’ 30 Jezus zei: ‘Vertel dat beslist niet aan iemand anders!’
 
 Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren
 
 
 
   31 Jezus begon aan de leerlingen uit te leggen wat er met hem moest gebeuren. Hij zei: ‘De Mensenzoon zal veel moeten lijden. De leiders van het volk, de priesters en de wetsleraren zullen hem behandelen als een vijand. Hij zal gedood worden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’ 32 Jezus legde hun dit heel duidelijk uit.
 
 Toen nam Petrus Jezus mee, weg van de andere leerlingen. Hij zei tegen Jezus: ‘Zulke dingen mag u beslist niet zeggen.’ 33 Maar Jezus draaide zich weer om naar de andere leerlingen. Hij zei boos tegen Petrus: ‘Achteruit jij, Satan! Jij denkt aan wat mensen willen, niet aan wat God wil.’
 
 Jezus vertelt hoe je zijn volgeling wordt
 
 
 
   34 Jezus riep alle mensen bij zich en ook zijn leerlingen. Hij zei: ‘Als je mijn volgeling wilt zijn, dan mag je niet meer aan jezelf denken. Nee, je moet juist bereid zijn om je leven op te geven en met mij mee te gaan. 35 Als je je leven probeert te redden, zul je het juist voor altijd verliezen. Maar je kunt ook je leven verliezen omdat je mijn volgeling bent. Of omdat je het goede nieuws vertelt. Dan zul je je leven juist voor altijd redden.’
 
 
 
   36 Jezus zei verder: ‘Stel dat je de hele wereld in bezit krijgt. Wat heb je daaraan als je je leven verliest? 37 Het eeuwige leven is niet te koop.
 
 
 
   38 Als je mijn volgeling wilt zijn, moet je je niet schamen voor mij of voor mijn boodschap. Ook al zijn de mensen om je heen slecht en ontrouw aan God. Want anders zal de Mensenzoon zich ook voor jou schamen als hij terugkomt. Bedenk dat de Mensenzoon zal komen met de engelen uit de hemel. En met de macht van zijn Vader.’
 
 
 
 
 
Marcus 9
 
 
 
   1 Jezus zei verder: ‘Luister goed naar mijn woorden: Sommigen van jullie zullen dat nog tijdens hun leven meemaken. Zij zullen Gods nieuwe wereld zien komen.’
 
 Jezus op de berg
 
 Jezus spreekt met Mozes en Elia
 
 
 
   2 Zes dagen later ging Jezus een hoge berg op. Petrus, Jakobus en Johannes mochten met hem mee. Boven op de berg waren ze helemaal alleen. De leerlingen zagen dat het gezicht van Jezus veranderde. 3 En zijn kleren werden zo wit als een helder licht. Geen mens kan kleren zo wit maken.
 
 
 
   4 Opeens zagen de leerlingen Elia en Mozes. Die waren met Jezus aan het praten. 5 Petrus zei tegen Jezus: ‘Meester, het komt goed uit dat wij hier zijn! We zullen drie hutten maken: één voor u, één voor Mozes, en één voor Elia.’ 6 Petrus zei zomaar wat. Dat kwam omdat hij en de andere leerlingen erg geschrokken waren.
 
 
 
   7 Op dat moment kwam er een wolk boven hen. En uit die wolk klonk Gods stem, die zei: ‘Hij alleen is mijn Zoon. Luister naar hem!’ 8 De leerlingen keken om zich heen, maar ineens zagen ze Mozes en Elia niet meer. Alleen Jezus was nog bij hen.
 
 Jezus vertelt dat Elia is gekomen
 
 
 
   9 Toen ze de berg weer af gingen, zei Jezus: ‘Jullie mogen aan niemand vertellen wat je gezien hebt. Eerst moet de Mensenzoon opstaan uit de dood. Pas daarna mogen jullie hierover praten.’
 
 
 
   10 De leerlingen hielden zich daaraan. Maar intussen vroegen ze zich wel af wat Jezus bedoelde met ‘opstaan uit de dood’. 11 Ze vroegen: ‘De wetsleraren zeggen dat Elia eerst moet komen. Hoe zit dat precies?’
 
 
 
   12 Jezus zei: ‘Dat klopt. Eerst moet Elia komen. Hij komt om alles in orde te maken. Toch zal de Mensenzoon daarna nog veel moeten lijden. Hij zal als een vijand behandeld worden. Dat staat allemaal in de heilige boeken. 13 Maar luister naar mijn woorden: Elia is al gekomen. En hij is slecht behandeld. Precies zoals het in de heilige boeken staat.’
 
 Jezus maakt een jongen beter
 
 Een jongen met een kwade geest
 
 
 
   14 Jezus en de drie leerlingen kwamen terug bij de andere leerlingen. Er stond een grote groep mensen om hen heen. Een paar wetsleraren hadden een discussie met de leerlingen. 15 Toen de mensen Jezus zagen, waren ze verrast. Ze liepen meteen naar hem toe om hem te begroeten.
 
 
 
   16 Jezus vroeg: ‘Waar gaat de discussie over?’ 17 Iemand uit de groep mensen gaf hem antwoord: ‘Meester, ik kwam mijn zoon bij u brengen. Hij heeft een kwade geest in zich en daardoor kan hij niet praten. 18 Elke keer als die geest mijn zoon te pakken neemt, gooit hij hem op de grond. Dan krijgt mijn zoon schuim op zijn mond. Hij knarst met zijn tanden en wordt helemaal stijf. Ik vroeg aan uw leerlingen om die geest uit mijn zoon weg te jagen. Maar ze konden het niet.’
 
 Jezus praat met de vader van de jongen
 
 
 
   19 Jezus zei: ‘Wat zijn jullie toch ongelovig! Hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe houd ik dat vol? Breng die jongen hier!’
 
 
 
   20 Ze brachten de jongen bij hem. Toen de kwade geest Jezus zag, schudde hij de jongen hard door elkaar. Met schuim op zijn mond viel de jongen op de grond, en hij rolde heen en weer.
 
 
 
   21 Jezus vroeg aan de vader: ‘Hoe lang heeft hij dit al?’ De vader zei: ‘Hij had het al als klein kind. 22 De kwade geest heeft hem al vaak in het vuur en in het water gegooid. Want hij wil hem doden. Als u iets kunt doen, heb dan medelijden met ons en help ons.’ 23 Jezus zei: ‘Je vraagt of ik iets kan doen? Als je gelooft, kan alles!’ 24 Toen riep de vader van de jongen: ‘Ik geloof! Help me om mijn ongeloof te overwinnen!’
 
 Jezus jaagt de kwade geest weg
 
 
 
   25 Jezus zag dat de mensen steeds dichterbij kwamen staan. Hij zei streng tegen de kwade geest: ‘Ga weg uit deze jongen, en kom nooit meer terug! Want door jou kan hij niet horen en niet praten.’
 
 
 
   26 De geest schreeuwde, schudde de jongen hard door elkaar en ging weg. De jongen bleef doodstil liggen. De mensen dachten dat hij dood was. 27 Maar Jezus nam hem bij de hand en liet hem opstaan.
 
 
 
   28 Later waren Jezus en de leerlingen alleen in een huis. De leerlingen vroegen aan Jezus: ‘Waarom konden wij die kwade geest niet wegjagen?’ 29 Jezus antwoordde: ‘Je kunt dit soort geesten alleen wegjagen door te bidden.’
 
 Jezus geeft de leerlingen uitleg
 
 Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren
 
 
 
   30 Jezus en de leerlingen gingen weer verder. Ze reisden door Galilea. Maar Jezus wilde niet dat iemand dat te weten kwam. 31 Want hij was bezig om zijn leerlingen iets uit te leggen.
 
 Hij vertelde: ‘De Mensenzoon zal uitgeleverd worden aan mensen die hem zullen doden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’ 32 De leerlingen begrepen het niet. Maar ze durfden niet te vragen wat Jezus bedoelde.
 
 Je moet niet belangrijk willen zijn
 
 
 
   33 Jezus en de leerlingen kwamen in Kafarnaüm. Toen ze thuis waren, vroeg Jezus aan de leerlingen: ‘Wat liepen jullie onderweg te bespreken?’ 34 Maar de leerlingen durfden niets te zeggen. Want ze hadden gesproken over wie van hen de belangrijkste was.
 
 
 
   35 Jezus ging zitten en riep de twaalf leerlingen bij zich. Hij zei: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet zichzelf op de laatste plaats zetten. En hij moet alle anderen dienen.’
 
 
 
   36 Jezus zette een kind midden in de groep. Hij sloeg zijn arm om het kind heen en zei: 37 ‘Als je bij mij hoort, dan moet je juist voor de minst belangrijke mensen aandacht hebben. Zoals voor zo’n kind. Want wat je voor de minst belangrijke mensen doet, dat doe je voor mij. En niet alleen voor mij, maar ook voor God, die mij gestuurd heeft.’
 
 Vriend of vijand?
 
 
 
   38 Toen zei Johannes tegen Jezus: ‘Meester, wij hebben iemand gezien die uw naam gebruikt om kwade geesten weg te jagen. Wij zeiden dat hij daarmee moest ophouden. Want hij hoort niet bij ons.’
 
 
 
   39 Maar Jezus zei: ‘Laat hem zijn gang gaan. Hij gebruikt mijn naam om een wonder te doen. Zo iemand zal niet snel iets slechts over mij zeggen. 40 Wie niet onze vijand is, is onze vriend. 41 Luister goed naar mijn woorden: Iemand die een beker water aan je geeft omdat je bij mij hoort, krijgt zeker een beloning van God.’
 
 Uitleg over Gods nieuwe wereld
 
 Hoe kom je in de nieuwe wereld?
 
 
 
   42 Jezus zei: ‘Iemand die een gelovige weghaalt bij God, krijgt een zware straf. Het zou beter voor hem zijn als hij met een zware steen om zijn nek in zee gegooid was.
 
 
 
   43-44 Stel dat je hand iets slechts doet, iets dat jou weghaalt bij God. Hak je hand dan af. Beter met één hand naar het eeuwige leven, dan met twee handen naar de hel, waar het vuur nooit uitgaat.
 
 
 
   45-46 Stel dat je voet iets slechts doet, iets dat jou weghaalt bij God. Hak je voet dan af. Beter met één voet naar het eeuwige leven, dan met twee voeten naar de hel.
 
 
 
   47 Stel dat je oog iets slechts ziet, iets dat jou weghaalt bij God. Ruk je oog dan uit. Beter met één oog naar Gods nieuwe wereld, dan met twee ogen naar de hel. 48 Want daar brandt een vuur dat nooit uitgaat, en daar blijven de wormen maar aan je vreten.’
 
 
 
   49 Jezus zei verder: ‘Iedereen wordt getest om te zien of zijn geloof zuiver is. Het moet zo zuiver zijn als zout. 50 Zout is iets goeds. Maar als het zijn zoute smaak verliest, is het waardeloos. Je kunt het niet opnieuw zout maken. Zorg daarom dat je het zout in jezelf niet verliest. Dat betekent: leef in vrede met elkaar.’
 
 
 
 
Marcus 10
 
Uitleg over trouwen en scheiden
 
1 Jezus vertrok uit Galilea. Hij ging naar Judea, en naar de overkant van de Jordaan. Weer kwam er een grote groep mensen naar hem toe. Jezus gaf hun uitleg over God, zoals hij steeds deed.
 
2 Er kwamen ook farizeeën naar Jezus toe. Ze vroegen: ‘Mag een man scheiden van zijn vrouw?’ Ze hoopten dat Jezus iets verkeerds zou zeggen. 3 Maar Jezus vroeg: ‘Wat staat daarover in de wet van Mozes?’ 4 Zij zeiden: ‘Volgens de wet mag een man scheiden van zijn vrouw. Hij moet haar dan een scheidingsbrief meegeven.’
 
5 Jezus zei tegen hen: ‘Die regel is gemaakt voor mensen zoals jullie, die niet om elkaar geven. 6 Maar al bij de schepping maakte God een man en een vrouw. 7 Zo komt het dat een man niet bij zijn vader en moeder blijft. Hij gaat met zijn vrouw leven 8 en ze worden samen helemaal één. Ze zijn niet langer twee, maar ze zijn samen één geheel. 9 En wat God bij elkaar brengt, mag een mens niet scheiden.’
 
10 Toen ze weer thuis waren, vroegen de leerlingen aan Jezus wat hij precies bedoelde. 11 Jezus zei: ‘Als een gescheiden man met een andere vrouw trouwt, dan gaat hij vreemd. 12 En als een gescheiden vrouw met een andere man trouwt, dan gaat ook zij vreemd.’
 
Jezus laat de kinderen bij zich komen
 
13 Er waren mensen die kinderen bij Jezus brachten. Ze wilden graag dat hij de kinderen zou aanraken. Maar de leerlingen hielden die mensen tegen.
 
14 Toen Jezus dat zag, werd hij kwaad. Hij zei: ‘Laat die kinderen bij me komen. Houd ze niet tegen. Want Gods nieuwe wereld is er juist voor hen. 15 Luister goed naar mijn woorden: Je moet openstaan voor Gods nieuwe wereld. Net zoals een kind dat doet. Anders kun je er niet binnenkomen.’
 
16 Jezus sloeg zijn armen om de kinderen heen. Hij legde zijn handen op hen en zegende hen.
 
Een rijke man komt bij Jezus
 
17 Toen ze verdergingen, kwam er iemand op Jezus af. Hij knielde voor Jezus en vroeg: ‘Goede meester, hoe kan ik het eeuwige leven krijgen?’
 
18 Jezus zei tegen hem: ‘Je noemt mij goed, maar waarom? Alleen God is goed, verder niemand. 19 En je weet toch welke regels er in de wet staan? Je mag niemand vermoorden. Je mag niet vreemdgaan. Je mag niet stelen. Je mag niet liegen. En je moet eerlijk zijn en respect hebben voor je vader en je moeder.’
 
20 Toen zei die man: ‘Meester, ik houd me aan al die regels. Al mijn hele leven.’ 21 Jezus keek vol liefde naar de man. Hij zei: ‘Er is nog één ding dat je moet doen. Ga naar huis, verkoop alles wat je hebt en geef het geld aan de armen. Dan ligt er in de hemel een grote beloning voor je klaar. Als je alles weggegeven hebt, kun je terugkomen en met mij meegaan.’
 
22 Toen de man dat hoorde, werd hij somber. Hij liep teleurgesteld weg. Want hij was erg rijk.
 
Het is moeilijk om in Gods nieuwe wereld te komen
 
23 Jezus keek zijn leerlingen aan en zei: ‘Het is erg moeilijk voor rijke mensen om in Gods nieuwe wereld te komen.’ 24 De leerlingen schrokken van die woorden.
 
Maar Jezus herhaalde het nog een keer. ‘Vrienden,’ zei hij, ‘het is erg moeilijk om in Gods nieuwe wereld te komen. 25 Denk je dat rijke mensen in Gods nieuwe wereld kunnen komen? Je zult nog eerder een kameel door het oog van een naald zien gaan!’
 
26 Nu schrokken de leerlingen nog veel meer. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Maar wie kan er dan nog gered worden?’ 27 Jezus keek hen aan en zei: ‘Als het van mensen afhangt, kan niemand gered worden. Maar het hangt van God af. En voor God is alles mogelijk.’
 
Je moet alles achterlaten
 
28 Toen vroeg Petrus: ‘Maar hoe zit het met ons? Wij hebben alles achtergelaten om met u mee te gaan.’
 
29-30 Jezus zei: ‘Luister goed naar mijn woorden: Als je kiest voor mij en voor het goede nieuws, moet je bereid zijn om alles op te geven: je broers en je zussen, je ouders en je kinderen, je huis en je land. Maar je krijgt er honderd keer zo veel voor terug: broers en zussen, ouders en kinderen, huizen en land. Je zult het heel moeilijk hebben. Maar als Gods nieuwe wereld komt, krijg je het eeuwige leven.’
 
31 Jezus zei verder: ‘De belangrijkste mensen zullen achteraankomen. En de onbelangrijkste mensen zullen vooraan staan.’
 
Jezus geeft de leerlingen uitleg
 
Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren
 
32 Jezus en de leerlingen waren op weg naar Jeruzalem. De leerlingen waren ongerust. Ook de andere mensen die meegingen, waren bang voor wat er zou gaan gebeuren.
 
Jezus liep voorop. Hij sprak nog eens apart met de twaalf leerlingen. Hij vertelde hun wat er met hem zou gaan gebeuren. 33 Hij zei: ‘We zijn op weg naar Jeruzalem. Daar zal de Mensenzoon uitgeleverd worden aan de priesters en de wetsleraren. Zij zullen besluiten dat hij gedood moet worden. Ze zullen hem uitleveren aan de ongelovigen. 34 Die zullen hem bespotten, hem in zijn gezicht spugen en met de zweep slaan. Daarna zullen ze hem doden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’
 
Jakobus en Johannes stellen een vraag
 
35 De broers Jakobus en Johannes kwamen naar Jezus toe met een vraag. Ze zeiden: ‘Meester, wilt u ons iets beloven?’ 36 Jezus vroeg: ‘Wat moet ik jullie beloven?’
 
37 Zij zeiden: ‘Als u straks bij God bent, mogen wij tweeën dan naast u zitten? De één rechts en de ander links?’ 38 Maar Jezus antwoordde: ‘Jullie weten niet wat je vraagt! Jullie weten toch wat ik moet meemaken: ik moet lijden en gedood worden. Kunnen jullie dat soms ook?’ 39 Ze zeiden: ‘Ja, dat kunnen we.’
 
Toen zei Jezus tegen hen: ‘Inderdaad. Jullie zullen hetzelfde meemaken als ik. Ook jullie zullen lijden en gedood worden. 40 Maar ik bepaal niet wie er straks naast mij mogen zitten. Dat bepaalt God.’
 
Niet heersen, maar dienen
 
41 De andere leerlingen hoorden wat Jakobus en Johannes gezegd hadden. Ze werden kwaad. 42 Jezus riep de leerlingen bij elkaar en zei: ‘Jullie weten hoe het gaat in de wereld. Koningen heersen over hun volk. En mensen met macht spelen de baas over anderen.
 
43 Maar zo mag het bij jullie niet gaan. Als je de belangrijkste wilt zijn, moet je de anderen dienen. 44 Als je de voornaamste wilt zijn, moet je de anderen dienen zoals een slaaf doet. 45 Want ook ik, de Mensenzoon, ben niet gekomen om over mensen te heersen. Ik ben er juist om mensen te dienen. Ik zal mijn leven geven om veel mensen te redden.’
 
Jezus zorgt dat Bartimeüs kan zien
 
46 Jezus en de leerlingen kwamen in Jericho. Ze liepen door de stad, en een grote groep mensen liep mee. Toen ze de stad weer uit gingen, zat er een blinde bedelaar langs de kant van de weg. Hij heette Bartimeüs.
 
47 Toen hij hoorde dat Jezus uit Nazaret voorbijkwam, begon hij te roepen: ‘Jezus! Zoon van David! Heb medelijden met mij!’ 48 De mensen zeiden: ‘Houd toch je mond!’ Maar hij begon nog veel harder te roepen: ‘Zoon van David! Heb medelijden met mij!’
 
49 Jezus bleef staan en zei: ‘Roep die man hier.’ De mensen riepen de man. Ze zeiden: ‘Rustig maar. Sta op, Jezus roept je.’ 50 Meteen liet de man zijn jas op de grond vallen. Hij sprong op en ging naar Jezus.
 
51 Jezus vroeg aan hem: ‘Wat kan ik voor je doen?’ De blinde man antwoordde: ‘Meester, ik wil weer kunnen zien.’ 52 Jezus zei: ‘Dat is goed. Je bent beter geworden dankzij je geloof.’ Op datzelfde moment kon de man weer zien. Hij ging met Jezus mee, op weg naar Jeruzalem.
 
 
 
Marcus 11
 
 Jezus komt in Jeruzalem
 
 Twee leerlingen gaan een ezel halen
 
 
 
   1 Jezus en de leerlingen kwamen in de buurt van Jeruzalem. Ze waren vlak bij de dorpen Betfage en Betanië, bij de Olijfberg. Daar stuurde Jezus twee leerlingen vooruit.
 
 
 
   2 Hij zei tegen hen: ‘Ga naar dat dorp daar. Jullie zullen daar een jonge ezel zien, die staat daar vastgebonden. Er heeft nog nooit iemand op gereden. Maak hem los en breng hem hier. 3 Misschien vraagt er iemand: ‘Wat doen jullie daar?’ Dan moet je zeggen: ‘De Heer heeft deze ezel nodig. Maar hij zal hem snel weer terugbrengen.’’
 
 
 
   4 De twee leerlingen gingen naar het dorp en vonden de ezel. Hij stond buiten op straat, vastgebonden bij een deur. Ze maakten hem los. 5 Een paar mensen die daar stonden, zeiden: ‘Wat doen jullie daar?’ 6 De leerlingen zeiden wat Jezus hun gezegd had. Toen lieten die mensen hen met rust.
 
 Jezus rijdt Jeruzalem binnen
 
 
 
   7 De leerlingen brachten de ezel bij Jezus. Ze legden hun jassen op de rug van de ezel, en Jezus ging erop zitten.
 
 
 
   8 Veel mensen legden hun jas op de weg. Anderen plukten takken met bladeren en legden die op de weg. 9 Ze liepen voor Jezus uit en achter hem aan. Ze riepen: ‘Alle eer aan God! Leve de man die door God gestuurd is. 10 Leve het nieuwe koninkrijk van onze voorvader David. Alle eer aan God in de hemel!’
 
 
 
   11 Jezus en de leerlingen kwamen in Jeruzalem. Jezus ging de tempel in en bekeek daar alles goed. Het was al laat geworden. Daarom ging Jezus met de twaalf leerlingen terug naar Betanië.
 
 Jezus vervloekt een vijgenboom
 
 
 
   12 De volgende dag gingen Jezus en de leerlingen weer weg uit Betanië. Onderweg kreeg Jezus honger. 13 Hij zag in de verte een vijgenboom vol bladeren. Hij liep erheen. Hij hoopte dat er vijgen aan zouden zitten. Maar hij vond niets, alleen maar bladeren. Want voor vijgen was het niet de goede tijd van het jaar.
 
 
 
   14 Jezus vervloekte de boom. Hij zei: ‘Niemand zal ooit nog vijgen van jou eten!’ De leerlingen hoorden dat.
 
 Jezus jaagt handelaars de tempel uit
 
 
 
   15 Jezus en de leerlingen kwamen weer in Jeruzalem. Jezus ging de tempel in. Daar zaten handelaars, die geld wisselden en duiven verkochten. Jezus begon de handelaars en hun klanten weg te jagen. De tafels en stoelen van de handelaars gooide hij omver. 16 En hij hield iedereen tegen die met spullen over het tempelplein liep.
 
 
 
   17 Jezus legde uit waarom hij dat deed. Hij zei: ‘In de heilige boeken staat: «Gods huis is een plaats waar iedereen mag bidden.» Maar jullie hebben het veranderd in een huis van dieven!’
 
 
 
   18 De priesters en de wetsleraren hoorden wat Jezus zei. Ze dachten na over een plan om hem te doden. Ze waren bang voor hem. Want het hele volk was diep onder de indruk van wat Jezus vertelde.
 
 
 
   19 ’s Avonds gingen Jezus en de leerlingen de stad weer uit.
 
 Jezus geeft uitleg over de vijgenboom
 
 
 
   20 De volgende ochtend kwamen Jezus en de leerlingen weer langs de vijgenboom. Ze zagen dat de boom van onder tot boven verdord was. 21 Petrus herinnerde zich wat Jezus gezegd had. Hij zei: ‘Kijk, meester, dat is de boom die u vervloekt hebt. Die is nu verdord!’
 
 
 
   22 Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Je moet op God vertrouwen. 23 Luister goed naar mijn woorden: Als je iets aan God vraagt, twijfel dan niet, maar geloof dat het zal gebeuren. Dan gebeurt het ook. Zelfs als je tegen die berg daar zegt: ‘Kom van je plaats en laat je in de zee vallen.’
 
 
 
   24 Daarom zeg ik: Als je iets aan God vraagt, geloof dan dat je het al gekregen hebt. Dan krijg je het ook. 25-26 En als je aan het bidden bent, vergeef dan een ander zijn fouten. Dan zal je hemelse Vader ook jouw fouten vergeven.’
 
 Jezus geeft uitleg in de tempel
 
 Vragen zonder antwoord
 
 
 
   27 Jezus en de leerlingen kwamen weer in Jeruzalem. Ze waren in de tempel. De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk kwamen naar Jezus toe. 28 Ze zeiden: ‘U doet alsof u mag bepalen wat er hier gebeurt! Maar wie heeft u dat recht gegeven?’
 
 
 
   29-30 Jezus zei: ‘Ik heb eerst een vraag voor jullie. Johannes de Doper doopte mensen. Deed hij dat uit zichzelf of in opdracht van God? Geef mij antwoord. Dan zal ik daarna antwoord geven op jullie vraag.’
 
 
 
   31 De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk overlegden met elkaar. Ze zeiden: ‘Stel dat we zeggen: ‘Johannes doopte in opdracht van God.’ Dan zegt Jezus natuurlijk: ‘Waarom geloofden jullie hem dan niet?’ 32 Maar stel dat we zeggen: ‘Johannes doopte uit zichzelf.’ Dan komen we in moeilijkheden. Want het hele volk gelooft dat Johannes een profeet van God is.’
 
 
 
   33 Daarom gaven ze dit antwoord: ‘We weten het niet.’ Toen zei Jezus: ‘Dan zeg ik ook niet wie mij het recht gegeven heeft om deze dingen te doen.’
 
 
 
 
 
Marcus 12
 
 Het voorbeeld van de wijngaard
 
 
 
   1 Jezus sprak tegen de priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk. Hij gaf hun een voorbeeld. Hij zei: ‘Een man heeft een wijngaard. Hij bouwt er een muur omheen, en maakt een bak om de druiven in te persen. Ook bouwt hij een toren voor het bewaken van de wijngaard. Dan verhuurt hij de wijngaard aan boeren, en gaat zelf op reis.
 
 
 
   2 In de tijd van de oogst stuurt de man een knecht naar de wijngaard. Die moet bij de boeren een deel van de opbrengst ophalen. 3 Maar de boeren grijpen die knecht. Ze slaan hem en ze sturen hem weg met lege handen.
 
 
 
   4 Dan stuurt de man een andere knecht naar de wijngaard. Maar de boeren slaan die knecht in zijn gezicht en ze beledigen hem. 5 De man stuurt een derde knecht. Maar de boeren slaan die knecht dood. Zo gaat het ook met alle andere knechten. Sommigen worden in elkaar geslagen, anderen worden vermoord.
 
 
 
   6 Dan heeft de man alleen nog zijn zoon, van wie hij veel houdt. Die stuurt hij als laatste naar de wijngaard. Want de man denkt: Voor mijn zoon zullen de boeren wel respect hebben.
 
 
 
   7 Maar de boeren zeggen tegen elkaar: ‘Kijk, daar komt de zoon. Hij zal al het bezit van zijn vader krijgen. Kom, we slaan hem dood! Dan is de wijngaard van ons.’ 8 De boeren grijpen de zoon. Ze slaan hem dood, en gooien zijn lichaam de wijngaard uit.’
 
 Het voorbeeld gaat over de leiders
 
 
 
   9 Jezus zei: ‘Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu doen? Hij zal zelf komen. Hij zal de boeren doden, en de wijngaard aan anderen geven.’
 
 
 
   10 Jezus zei verder: ‘Jullie kennen deze tekst uit de heilige boeken toch wel: «De bouwers gooiden één van de stenen weg. Maar dat werd juist de belangrijkste steen van het gebouw. 11 God heeft dat zo bepaald. En de mensen kunnen het niet begrijpen.»’
 
 
 
   12 De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk snapten dat het voorbeeld van de boeren over hen ging. Ze waren bang dat de mensen nu boos op hen zouden worden. Daarom lieten ze Jezus daar staan en liepen ze weg. Ze maakten een plan om hem gevangen te nemen.
 
 Een vraag met een slechte bedoeling
 
 
 
   13 De leiders stuurden een paar farizeeën en dienaren van koning Herodes naar Jezus toe. Die moesten proberen om Jezus iets te laten zeggen dat strafbaar was. 14 Ze kwamen bij Jezus en zeiden: ‘Meester, u spreekt altijd de waarheid. U zegt geen andere dingen om mensen een plezier te doen, of omdat u bang bent. U vertelt altijd precies wat God van ons wil. Zeg eens, mogen wij belasting betalen aan de keizer of niet?’
 
 
 
   15 Maar Jezus wist dat ze met die vraag een slechte bedoeling hadden. Hij zei: ‘Jullie willen mij in de val laten lopen! Vooruit, laat mij eens een geldstuk zien.’ 16 De farizeeën en de dienaren gaven hem een geldstuk. Toen zei Jezus: ‘Wie staat er op deze munt?’ Ze antwoordden: ‘De keizer.’
 
 
 
   17 Toen zei Jezus: ‘Geef aan de keizer wat voor de keizer is. En geef aan God wat voor God is.’ Hun mond viel open van verbazing over dat antwoord.
 
 De sadduceeën stellen een vraag
 
 
 
   18 Toen kwamen er sadduceeën naar Jezus toe. Sadduceeën geloven niet dat de mensen zullen opstaan uit de dood. Ze zeiden tegen Jezus: 19 ‘Meester, in de wet van Mozes staat deze regel: «Het kan gebeuren dat een man sterft zonder kinderen, en dat zijn vrouw alleen achterblijft. Dan moet de broer van die gestorven man trouwen met de weduwe. Hij moet zorgen dat er een kind komt voor zijn gestorven broer.»
 
 
 
   20 Maar stel: Er zijn zeven broers. De oudste trouwt. Maar hij sterft zonder kinderen, en zijn vrouw blijft alleen achter. 21 Dan trouwt de tweede broer met de vrouw. Maar ook hij sterft zonder kinderen. Met de derde broer gaat het net zo. En met de anderen ook. 22 Alle zeven broers sterven zonder kinderen. Als laatste sterft de vrouw. 23 Nu is onze vraag: Wat gebeurt er als de mensen opstaan uit de dood? Met wie zal die vrouw dan getrouwd zijn? Want alle zeven broers zijn met haar getrouwd geweest!’
 
 Jezus geeft antwoord op de vraag
 
 
 
   24 Jezus antwoordde de sadduceeën: ‘Jullie hebben het helemaal fout! Jullie begrijpen de heilige boeken niet. En jullie begrijpen niet hoe machtig God is. 25 Als de mensen opstaan uit de dood, dan leven ze niet meer als getrouwde mensen. Dan leven ze zoals de engelen in de hemel.’
 
 
 
   26 Jezus zei verder: ‘Jullie geloven niet dat de mensen zullen opstaan uit de dood. Maar jullie kennen het verhaal over de brandende doornstruik in het boek van Mozes toch wel? Daar zegt God tegen Mozes: «Ik ben de God van Abraham, Isaak en Jakob.» 27 God is geen God van dode mensen, maar van levende mensen. Jullie hebben het dus helemaal fout.’
 
 De belangrijkste regel in de wet
 
 
 
   28 Toen kwam er een wetsleraar bij Jezus. Hij had de discussie met de sadduceeën gehoord. Hij vond dat Jezus hun heel goed geantwoord had. Nu stelde hij een vraag. Hij zei: ‘Wat is de belangrijkste regel in de wet?’
 
 
 
   29 Jezus antwoordde: ‘Dit is de belangrijkste regel: «Luister goed, Israëlieten! De Heer, onze God, is de enige God. 30 Je moet van hem houden met je hele hart, met je hele ziel, met je hele verstand en met al je kracht.» 31 Daarna komt deze regel: «Van de mensen om je heen moet je evenveel houden als van jezelf.» Dat zijn de twee belangrijkste regels.’
 
 
 
   32 De wetsleraar zei: ‘Inderdaad, meester, u hebt gelijk. Alleen de Heer is God, er is geen andere god. 33 En wij moeten van hem houden met ons hele hart, met ons hele verstand en met al onze kracht. En van de mensen om ons heen moeten we evenveel houden als van onszelf. Die regels zijn veel belangrijker dan alle offers in de tempel.’
 
 
 
   34 Jezus vond dat een verstandige reactie. Daarom zei hij: ‘Jij bent dicht bij Gods nieuwe wereld.’
 
 Daarna durfde niemand meer een vraag aan Jezus te stellen.
 
 Jezus vertelt over de messias
 
 
 
   35-36 Jezus sprak in de tempel tegen de mensen. Hij gaf uitleg over de messias. Hij zei: ‘De wetsleraren zeggen dat de messias een zoon van David is. Maar luister eens wat David zelf gezegd heeft over de messias: «God zei tegen mijn Heer: Kom naast mij zitten, aan de rechterkant. Ik zal je vijanden diep voor jou laten buigen.»
 
 Dat is wat David gezegd heeft. Het zijn woorden van de heilige Geest. 37 David zelf noemde de messias dus zijn Heer. Hoe kan de messias dan tegelijk Davids zoon zijn?’
 
 De mensen hielden ervan om naar Jezus te luisteren.
 
 Jezus waarschuwt voor de wetsleraren
 
 
 
   38 Jezus gaf de mensen deze les: ‘Pas op voor de wetsleraren! Zij lopen graag rond in deftige kleren. Ze willen beleefd gegroet worden op straat. 39 Ze willen de beste plaatsen hebben in de synagoge. En ze willen de mooiste plaatsen krijgen bij een feestelijke maaltijd. 40 Ze doen net alsof ze uren aan het bidden zijn. Maar intussen pakken ze het bezit van weduwen af. God zal de wetsleraren extra streng straffen.’
 
 Een arme weduwe geeft geld
 
 
 
   41 Jezus ging in de tempel bij de geldkist zitten. Hij keek hoe de mensen geld in de kist deden. Veel rijke mensen gaven veel geld. 42 Er kwam ook een arme weduwe. Zij deed twee muntjes in de geldkist. Die waren bijna niets waard.
 
 
 
   43 Toen riep Jezus zijn leerlingen bij zich en zei: ‘Luister goed naar mijn woorden: Die arme vrouw heeft het meest gegeven van allemaal. 44 Want de anderen gaven een deel van het geld dat ze overhadden. Maar die vrouw gaf geld dat ze niet kon missen. Ze gaf al het geld dat ze had, alles waarvan ze moest leven.’
 
 
 
 
Marcus 13
 
 Het einde van deze wereld
 
 De tempel zal worden afgebroken
 
 
 
   1 Toen ging Jezus weg uit de tempel. Eén van de leerlingen zei: ‘Kijk, meester, wat een grote stenen! Wat een grote gebouwen!’ 2 Jezus zei: ‘Bekijk die grote gebouwen van de tempel maar goed. Ze zullen helemaal worden afgebroken, steen voor steen.’
 
 
 
   3 Toen ging hij op de Olijfberg zitten, tegenover de tempel. Alleen Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas waren bij hem. Ze vroegen hem: 4 ‘Wilt u ons vertellen wanneer dat allemaal zal gebeuren? Aan welk teken zullen we zien dat het zover is?’
 
 Er zullen vreselijke dingen gebeuren
 
 
 
   5 Jezus zei tegen hen: ‘Pas op, laat je niet bedriegen! 6 Er zullen veel mensen komen die mijn naam gebruiken. Ze zullen zeggen dat ze de messias zijn. Ze zullen veel mensen bedriegen.
 
 
 
   7 Schrik niet als jullie horen dat er oorlog is, of dat er oorlog komt. Want dat moet allemaal gebeuren, maar het is nog niet het einde. 8 Want eerst zullen alle volken en landen oorlog tegen elkaar voeren. Er zal hongersnood komen, en overal zullen aardbevingen zijn. Dat is het begin van de grote rampen.
 
 De leerlingen krijgen het moeilijk
 
 
 
   9 Tegen jullie zeg ik: Pas op! Omdat jullie bij mij horen, zullen ze jullie naar de rechtbank of naar de synagoge brengen. Daar zullen jullie geslagen worden. En jullie zullen bij bestuurders en koningen moeten komen. Vertel daar het goede nieuws. 10 Want voordat het einde komt, moet het goede nieuws aan alle volken verteld zijn.
 
 
 
   11 Als ze jullie gevangennemen en wegbrengen, maak je dan geen zorgen over wat je moet zeggen. Maar zeg wat God je op dat moment laat zeggen. Want je spreekt dan niet zelf, maar jullie woorden komen van de heilige Geest.
 
 
 
   12 De ene broer zal de andere aangeven om hem te laten doden. En vaders zullen hun kinderen aangeven. Kinderen worden vijanden van hun ouders. Ze zullen hun ouders laten doden.
 
 
 
   13 Omdat jullie bij mij horen, zal iedereen jullie behandelen als vijanden. Maar als je volhoudt tot het einde, zul je gered worden.’
 
 Er zal iets verschrikkelijks gebeuren
 
 
 
   14 Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Op een dag zullen jullie iets verschrikkelijks zien: de Grote Verwoester, die zal staan waar hij niet mag staan. (Lezer, probeer te begrijpen wat dat betekent!)
 
 Dan moet iedereen in Judea de bergen in vluchten. 15 Als je buiten bij je huis bent, vlucht dan meteen weg. Ga niet eerst je huis in om nog iets te pakken. 16 Ook als je op het land bezig bent, vlucht dan meteen weg. Ga niet eerst terug om je jas te halen.
 
 
 
   17 Het zal een ramp zijn voor vrouwen die zwanger zijn of een baby hebben. 18 Bid tot God dat je niet in de winter hoeft te vluchten. 19 Want wat er dan gebeurt, zal verschrikkelijk zijn. Zoiets is nog nooit gebeurd sinds God de wereld gemaakt heeft. En zoiets zal daarna ook nooit meer gebeuren.
 
 
 
   20 Gelukkig heeft God bepaald dat die verschrikkelijke tijd niet te lang zal duren. Anders zou niemand het volhouden. God heeft die tijd juist extra kort gemaakt. Uit liefde voor de mensen die hij uitgekozen heeft.
 
 Valse messiassen en profeten
 
 
 
   21 In die tijd zullen mensen tegen jullie zeggen: ‘Kijk, dit is de messias.’ Of: ‘Kijk, dat is hem.’ Geloof die mensen niet!
 
 
 
   22 Want er zullen allerlei valse messiassen en valse profeten komen. Ze zullen veel wonderen doen. Zo proberen ze de mensen die door God uitgekozen zijn, te bedriegen. 23 Pas dus goed op. Ik heb jullie gewaarschuwd.
 
 Jezus vertelt dat hij terug zal komen
 
 
 
   24 Na die verschrikkelijke tijd gebeurt het volgende. De zon wordt donker, de maan geeft geen licht meer. 25 De sterren vallen naar beneden, en alle planeten schudden heen en weer.
 
 
 
   26 Dan komt de Mensenzoon. Iedereen zal hem zien komen op de wolken, als een machtige en schitterende koning. 27 Dan zal hij de engelen over de hele aarde sturen. Zij zullen alle mensen verzamelen die bij de Mensenzoon horen. Overal vandaan, van de hele aarde.’
 
 Het voorbeeld van de vijgenboom
 
 
 
   28 Jezus gaf een voorbeeld: ‘Het is net als met de vijgenboom. Elk jaar zie je nieuwe bladeren aan zijn takken komen. Dan weet je dat het snel zomer wordt. 29 Dat geldt ook voor de dingen waarover ik verteld heb. Als je die dingen ziet gebeuren, dan weet je dat het einde snel zal komen.
 
 
 
   30 Luister goed naar mijn woorden: Sommige mensen die nu leven, zullen dat nog meemaken. 31 De hemel zal verdwijnen, en de aarde zal verdwijnen. Maar mijn woorden zullen niet verdwijnen.
 
 
 
   32 Niemand weet precies wanneer het gaat gebeuren. Ook de engelen in de hemel weten het niet. En ikzelf ook niet. Alleen God, de Vader, weet het.’
 
 De leerlingen moeten goed opletten
 
 
 
   33 Jezus zei: ‘Pas op en blijf wakker! Want jullie weten niet wanneer het gaat gebeuren.
 
 
 
   34-35 Het is net als met een man die een verre reis gaat maken. Hij geeft zijn knechten opdracht om op zijn huis te passen. Elke knecht krijgt een taak. De bewaker krijgt de taak om het huis te bewaken. Niemand weet wanneer de eigenaar van het huis terugkomt van zijn reis. Het kan ’s avonds zijn, of ’s nachts, of ’s ochtends vroeg.
 
 Zo is het ook met jullie. Jullie moeten goed opletten, want jullie weten ook niet wanneer jullie Heer terugkomt. 36 Zorg er dus voor dat je niet slaapt als hij onverwachts terugkomt.
 
 
 
   37 Tegen jullie en tegen iedereen zeg ik: Let goed op!’
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Marcus 14
 
 De vrouw met de olie
 
 Het plan om Jezus te doden
 
 
 
   1 Het was vlak voor het Joodse Paasfeest. Joden eten dan brood zonder gist. De priesters en de wetsleraren wilden Jezus doden. Ze maakten een plan om hem in het geheim gevangen te nemen. 2 Ze dachten: Dat moeten we niet midden op het feest doen. Anders komt het volk in opstand.
 
 Een vrouw giet olie over Jezus heen
 
 
 
   3 Jezus was in Betanië. Hij was op bezoek bij Simon, die Simon met de Huidziekte genoemd werd. Tijdens het eten kwam er een vrouw binnen. Ze had een flesje met olie bij zich, het was heel dure olie met een lekkere geur. Ze opende het flesje en goot de olie over Jezus’ hoofd.
 
 
 
   4 Een paar mensen werden boos. Ze riepen: ‘Zonde van die dure olie! 5 Die hadden we kunnen verkopen voor een enorm bedrag. En dat geld hadden we aan arme mensen kunnen geven!’ Zo gingen ze tegen de vrouw tekeer.
 
 De vrouw heeft iets goeds gedaan
 
 
 
   6 Maar Jezus zei: ‘Laat haar met rust. Doe niet zo boos tegen haar. Ze heeft iets goeds voor mij gedaan. 7 Arme mensen zullen er altijd zijn. Je kunt hen helpen wanneer je maar wilt. Maar ik zal niet altijd bij jullie zijn. 8 Deze vrouw heeft gedaan wat ze kon. Zij heeft mij verzorgd met geurige olie. Daardoor is mijn lichaam klaar om begraven te worden.
 
 
 
   9 Luister goed naar mijn woorden: Als het goede nieuws verteld wordt, zal er ook over deze vrouw verteld worden. Overal in de wereld zullen de mensen horen wat zij gedaan heeft.’
 
 Judas helpt de priesters
 
 
 
   10-11 Judas Iskariot, één van de twaalf leerlingen, ging naar de priesters. Hij zei: ‘Ik zal jullie helpen om Jezus gevangen te nemen.’ De priesters waren daar blij mee. Ze wilden Judas er zelfs voor betalen. En Judas begon na te denken over een goed moment om Jezus gevangen te nemen.
 
 De laatste maaltijd
 
 De paasmaaltijd wordt klaargemaakt
 
 
 
   12 Het was de eerste dag van het Joodse Paasfeest. Op die dag slachten Joden een lam voor de paasmaaltijd. De leerlingen zeiden tegen Jezus: ‘Waar zullen we de paasmaaltijd voor vanavond gaan klaarmaken?’
 
 
 
   13-14 Jezus stuurde twee leerlingen op weg. Hij zei: ‘Ga naar de stad. Daar zul je een man tegenkomen die een kruik met water draagt. Ga achter hem aan totdat hij ergens naar binnen gaat. Zeg dan tegen de eigenaar van dat huis: ‘Onze meester vraagt waar hij met zijn leerlingen de paasmaaltijd kan vieren.’ 15 Dan zal die man jullie naar boven brengen. Daar is een grote kamer, waar alles al klaarstaat. Daar moeten jullie de maaltijd klaarmaken.’
 
 
 
   16 De twee leerlingen gingen op weg naar de stad. Alles ging precies zoals Jezus gezegd had. De leerlingen maakten de paasmaaltijd klaar. 17 ’s Avonds kwamen ook Jezus en de andere leerlingen.
 
 Eén leerling gaat Jezus uitleveren
 
 
 
   18 Tijdens het eten zei Jezus: ‘Luister goed naar mijn woorden: Eén van jullie zal mij uitleveren. Iemand die nu met mij eet.’ 19 Daar werden de leerlingen verdrietig van. Eén voor één vroegen ze aan Jezus: ‘Dat ben ik toch niet?’
 
 
 
   20 Jezus antwoordde: ‘Het is één van jullie twaalf, iemand die uit dezelfde schaal eet als ik. 21 De Mensenzoon zal sterven, dat staat in de heilige boeken. Maar wat een ramp voor de man die mij uitlevert! Die man had beter niet geboren kunnen worden.’
 
 Jezus deelt brood en wijn uit
 
 
 
   22 Tijdens het eten nam Jezus een brood. Hij dankte God. Hij brak het brood in stukken en deelde het uit. Hij zei: ‘Kijk, dit is mijn lichaam.’
 
 
 
   23 Daarna nam hij een beker wijn. Hij dankte God en liet de beker rondgaan. Iedereen dronk eruit. 24 En Jezus zei: ‘Dit is mijn bloed. Als ik gedood word, zal mijn bloed vloeien. Maar daardoor zullen veel mensen gered worden. Dat heeft God beloofd.’
 
 
 
   25 Jezus zei ook: ‘Luister goed naar mijn woorden: Vanaf nu zal ik geen wijn meer drinken. Ik zal pas weer wijn drinken in Gods nieuwe wereld.’
 
 
 
   26 Toen zongen Jezus en zijn leerlingen een lied om God te danken. Daarna gingen ze op weg naar de Olijfberg.
 
 Jezus wordt gevangengenomen
 
 De leerlingen zullen Jezus in de steek laten
 
 
 
   27 Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Jullie zullen mij allemaal in de steek laten. Want God zegt in de heilige boeken: «Ik zal de herder doden, en de schapen zullen alle kanten op rennen.» 28 Maar luister goed: Ik zal opstaan uit de dood. En dan ga ik naar Galilea, en daar zullen jullie mij zien.’
 
 
 
   29 Maar Petrus zei: ‘Misschien zullen alle anderen u in de steek laten, maar ik niet!’ 30 Jezus antwoordde: ‘Luister goed, Petrus. Jij zult drie keer zeggen dat je mij niet kent. Dat zal vannacht gebeuren, nog voordat de haan twee keer gekraaid heeft.’
 
 
 
   31 Maar Petrus zei heel beslist: ‘Nee, ik laat u niet in de steek! Als het moet, wil ik zelfs samen met u sterven!’ En alle andere leerlingen zeiden hetzelfde als Petrus.
 
 Jezus bidt in Getsemane
 
 
 
   32 Ze kwamen bij een plek die Getsemane heette. Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Ik ga bidden. Blijf hier wachten tot ik terugkom.’ 33 Hij nam alleen Petrus, Jakobus en Johannes mee.
 
 Toen werd Jezus onrustig en bang. 34 Hij zei: ‘Ik houd het niet meer uit, zo verdrietig ben ik. Blijven jullie maar hier, en zorg dat je wakker blijft.’
 
 
 
   35-36 Jezus liep een klein stukje verder. Hij knielde op de grond en begon te bidden: ‘Vader, alstublieft! Geef dat ik niet hoef te lijden. Abba, Vader, voor u is alles mogelijk. Houd toch dit zware lijden bij mij weg! Maar doe alleen wat u wilt, niet wat ik wil.’
 
 
 
   37 Jezus ging terug naar de drie leerlingen. Ze lagen te slapen. Hij zei tegen Simon Petrus: ‘Simon, je slaapt! Kun je niet eens één uur wakker blijven? 38 Blijf toch wakker! Bid God om kracht, zodat je geen verkeerde keuze maakt. Want jullie willen wel het goede kiezen, maar jullie zijn zwak.’
 
 Jezus bidt opnieuw
 
 
 
   39 Jezus ging opnieuw bidden. Hij sprak hetzelfde gebed uit als daarvoor. 40 Toen hij terugkwam, lagen de leerlingen alweer te slapen. Ze konden hun ogen gewoon niet openhouden. Ze wisten niet wat ze tegen Jezus moesten zeggen.
 
 
 
   41 Toen Jezus voor de derde keer terugkwam, zei hij: ‘Nu moeten jullie niet langer slapen en uitrusten. Het is zover. Het moment is gekomen dat de Mensenzoon uitgeleverd wordt aan slechte mensen.’
 
 Judas komt eraan
 
 
 
   42 Jezus zei: ‘Kom, we moeten gaan. De man die mij gaat uitleveren, is dichtbij.’ 43 Terwijl Jezus dat zei, kwam Judas eraan. Hij was één van de leerlingen. Hij had een groep mannen bij zich met zwaarden en stokken. Ze waren gestuurd door de priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk.
 
 
 
   44 Judas had van tevoren met die mannen een teken afgesproken. Hij had gezegd: ‘Ik zal één man groeten met een kus. Dat is de man die jullie moeten hebben. Die moeten jullie gevangennemen. Neem hem mee en bewaak hem goed.’
 
 Jezus wordt gevangengenomen
 
 
 
   45 Judas liep recht op Jezus af. Hij zei: ‘Meester!’ En hij groette hem met een kus. 46 Toen grepen de mannen Jezus vast en ze namen hem gevangen.
 
 
 
   47 Iemand die erbij was, pakte zijn zwaard. Hij raakte daarmee de knecht van de hogepriester, en sloeg zijn oor eraf.
 
 
 
   48 Jezus zei tegen de mannen die hem vastgrepen: ‘Jullie zijn hier gekomen met zwaarden en stokken om mij gevangen te nemen. Alsof ik een gevaarlijke misdadiger ben! 49 Elke dag was ik in de tempel om de mensen uitleg te geven over God. Jullie zagen mij daar, maar jullie hebben mij niet gevangengenomen. Want het moet gaan zoals het verteld wordt in de heilige boeken.’
 
 De leerlingen laten Jezus in de steek
 
 
 
   50 Toen lieten alle leerlingen Jezus in de steek. Ze vluchtten weg. 51-52 Alleen een jonge man bleef dicht bij Jezus. Hij had een doek om zich heen geslagen. Verder had hij niets aan. De mannen grepen hem ook, maar hij kon ontsnappen. De doek bleef achter in de handen van de mannen. De jonge man vluchtte naakt weg.
 
 Jezus komt bij de hogepriester
 
 
 
   53 Jezus werd naar het huis van de hogepriester gebracht. Daar kwamen alle priesters, wetsleraren en leiders van het volk bij elkaar.
 
 
 
   54 Petrus liep op een afstand achter Jezus aan. Hij kwam op de binnenplaats van het huis van de hogepriester. Daar ging hij bij de knechten zitten. Hij hield zich warm bij het vuur.
 
 Jezus wordt vals beschuldigd
 
 
 
   55 De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk zochten naar mensen die Jezus wilden beschuldigen. Want dan konden ze besluiten om hem te doden. Maar het lukte niet. 56 Er werden wel veel valse beschuldigingen tegen Jezus uitgesproken. Maar die waren niet geldig, omdat de getuigen allemaal iets anders zeiden.
 
 
 
   57 Een paar mensen gingen staan om ook iets slechts over Jezus te vertellen. Het was weer een valse beschuldiging. 58 Ze zeiden: ‘Wij hebben Jezus iets horen zeggen over de tempel. Hij heeft gezegd: ‘Ik ga de tempel afbreken! Deze tempel, die door mensen gemaakt is. En binnen drie dagen bouw ik een nieuwe. Dat zal een tempel zijn die niet door mensen gemaakt is.’’ 59 Maar ook die getuigen zeiden niet precies hetzelfde, en dus was hun beschuldiging niet geldig.
 
 
 
   60 Toen ging de hogepriester staan. Hij zei tegen Jezus: ‘Waarom reageert u niet op deze beschuldigingen? U hoort toch wat die mensen over u zeggen?’ 61 Maar Jezus bleef zwijgen. Hij zei niets.
 
 Jezus is de Mensenzoon
 
 Toen stelde de hogepriester Jezus een vraag. Hij zei: ‘Bent u de messias, de Zoon van God?’ 62 Jezus zei: ‘Ja, dat ben ik. Ik ben de Mensenzoon. Jullie zullen mij naast God zien zitten, aan de rechterkant. En jullie zullen mij uit de hemel zien terugkomen op de wolken.’
 
 
 
   63 Toen de hogepriester dat hoorde, scheurde hij zijn priestermantel doormidden. Hij zei: ‘We hebben geen beschuldigingen meer nodig. 64 Jullie hebben allemaal gehoord dat deze man God beledigde. Wat is jullie oordeel?’ Iedereen vond dat Jezus gedood moest worden.
 
 
 
   65 Toen begonnen sommige mensen Jezus in zijn gezicht te spugen. Ze deden hem een blinddoek om, en ze begonnen hem hard te slaan. Ze riepen: ‘Hé profeet, zeg eens wie dat deed!’ Ook de knechten sloegen hem.
 
 Petrus zegt dat hij Jezus niet kent
 
 
 
   66 Petrus zat nog steeds op de binnenplaats. Er kwam een meisje langs dat in dienst was van de hogepriester. 67 Ze zag Petrus zitten bij het vuur. Ze keek hem aan en zei: ‘Jij hoort ook bij die Jezus uit Nazaret!’ 68 Maar Petrus zei: ‘Welnee! Ik heb geen idee waar je het over hebt.’ Hij liep weg van de binnenplaats en ging terug naar de poort. Er kraaide een haan.
 
 
 
   69 Maar bij de poort zag het meisje Petrus weer. Ze begon tegen de mensen om zich heen te vertellen dat hij bij Jezus hoorde. 70 Maar Petrus zei opnieuw: ‘Dat is niet waar!’
 
 Even later zeiden ook een paar anderen tegen hem: ‘We weten zeker dat jij bij Jezus hoort. Want je komt duidelijk uit Galilea, net als hij!’ 71 Toen begon Petrus te vloeken en hij riep: ‘God weet dat ik die man niet ken!’ 72 Meteen daarna begon de haan voor de tweede keer die nacht te kraaien.
 
 Toen dacht Petrus terug aan wat Jezus gezegd had: ‘Jij zult drie keer zeggen dat je mij niet kent. Dat zal vannacht gebeuren, nog voordat de haan twee keer gekraaid heeft.’ En Petrus begon te huilen.
 
 
 
 
 
 
Marcus 15
 
 Jezus wordt gedood
 
 Jezus komt bij Pilatus
 
 
 
   1 ’s Ochtends vroeg kwamen alle priesters, wetsleraren en leiders van het volk bij elkaar. Ze overlegden wat ze met Jezus zouden doen. Ze lieten hem vastbinden, namen hem mee en brachten hem bij Pilatus, de Romeinse bestuurder. 2 Pilatus vroeg aan Jezus: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Jezus antwoordde: ‘U zegt het zelf.’
 
 
 
   3 De priesters begonnen veel slechte dingen over Jezus te vertellen. 4 Daarom vroeg Pilatus weer aan Jezus: ‘Waarom zegt u niets terug? Zij vertellen allerlei slechte dingen over u. En u zegt niets!’ 5 Maar Jezus bleef zwijgen. Pilatus was daar erg verbaasd over.
 
 De mensen kiezen Barabbas
 
 
 
   6 Op het Joodse Paasfeest liet Pilatus altijd één gevangene vrij. Het volk mocht iemand kiezen. 7 Op dat moment zaten er mensen in de gevangenis die samen een opstand begonnen waren. Ze hadden geweld gebruikt en mensen vermoord. Eén van die gevangenen heette Barabbas. 8 Een grote groep mensen kwam bij Pilatus. Ze vroegen of hij ook dit jaar weer een gevangene wilde vrijlaten.
 
 
 
   9-10 Pilatus wist precies waarom de priesters Jezus bij hem gebracht hadden. Dat was omdat ze jaloers waren op Jezus. Daarom vroeg Pilatus aan de mensen: ‘Zal ik Jezus vrijlaten, de koning van de Joden?’ 11 Maar de priesters bemoeiden zich ermee. Ze riepen tegen de mensen: ‘Nee, je moet Barabbas kiezen!’
 
 Pilatus doet wat de mensen willen
 
 
 
   12 Toen zei Pilatus: ‘Maar wat moet ik dan doen met Jezus, die jullie de koning van de Joden noemen?’ 13 De mensen riepen: ‘Hij moet dood! Hij moet aan het kruis!’ 14 Pilatus zei: ‘Hij heeft toch niets verkeerds gedaan?’ Maar de mensen begonnen nog harder te roepen: ‘Hij moet aan het kruis!’
 
 
 
   15 Toen deed Pilatus wat de mensen wilden. Dat leek hem het beste. Daarom liet hij Barabbas vrij. En hij gaf Jezus aan zijn soldaten, om hem aan het kruis te hangen.
 
 De soldaten bespotten Jezus
 
 De soldaten sloegen Jezus met de zweep. 16 Daarna brachten ze hem naar de binnenplaats van het paleis van Pilatus. Ze riepen alle soldaten erbij. 17 Toen trokken ze Jezus een rode mantel aan. En ze maakten een kroon van doorntakken, en zetten die op zijn hoofd.
 
 
 
   18 De soldaten deden alsof ze Jezus met eerbied wilden groeten. Ze zeiden: ‘Wij groeten u, koning van de Joden!’ 19 Ze sloegen met een stok op zijn hoofd. Ze spuugden hem in zijn gezicht. En ze knielden voor hem, alsof hij een koning was. 20 Zo bespotten ze Jezus.
 
 Daarna trokken ze hem de mantel weer uit, en ze deden hem zijn eigen kleren weer aan.
 
 Jezus wordt aan het kruis gehangen
 
 Toen brachten de soldaten Jezus weg om hem aan het kruis te hangen. 21 Er kwam net een man de stad in. Het was Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus. Hij moest van de soldaten meekomen, om het kruis te dragen.
 
 
 
   22 Ze brachten Jezus naar de plaats Golgota. Die naam betekent: schedelplaats. 23 Daar gaven ze Jezus wijn met daarin een middel tegen de pijn. Maar Jezus wilde de wijn niet opdrinken.
 
 
 
   24 Toen hingen de soldaten Jezus aan het kruis. Daarna verdeelden ze de kleren van Jezus onder elkaar door erom te loten. 25 Het was negen uur in de ochtend toen Jezus aan het kruis werd gehangen. 26 Op een bordje aan het kruis stond waarom Jezus gedood werd. Er stond op: ‘Dit is de koning van de Joden.’
 
 
 
   27-28 Er werden ook twee andere mannen aan een kruis gehangen, twee misdadigers. Het kruis van Jezus stond tussen de twee andere kruisen in.
 
 De mensen bespotten Jezus
 
 
 
   29 De mensen die voorbijkwamen, lachten Jezus uit. Ze schudden spottend hun hoofd en riepen: ‘Kijk eens! Daar hangt de man die de tempel wilde afbreken en binnen drie dagen een nieuwe wilde bouwen. 30 Red jezelf! Kom van dat kruis af!’
 
 
 
   31-32 Ook de priesters en de wetsleraren zeiden zulke dingen. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Andere mensen heeft hij gered. Maar zichzelf redden, dat kan hij niet. Hij is toch de messias, de koning van Israël? Dan moet hij maar eens van dat kruis af komen! Als we dat zien, zullen we in hem geloven.’
 
 Zo bespotten ze Jezus. Zelfs de twee mannen die naast Jezus aan een kruis hingen, begonnen hem uit te schelden.
 
 Jezus roept om God en sterft
 
 
 
   33 Om twaalf uur ’s middags werd het opeens donker in het hele land. Drie uur lang bleef het donker. 34 Toen, om drie uur ’s middags, riep Jezus luid: ‘Eloï, Eloï, lema sabachtani?’ Dat betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij alleen gelaten?’ 35 De mensen die daar stonden, hoorden het. Sommigen zeiden: ‘Hoor je dat? Hij roept Elia!’
 
 
 
   36 Snel pakte iemand een spons en deed die in zure wijn. Toen deed hij de spons op een stok en stak hem omhoog. Zo kon Jezus wat drinken. De man zei tegen de anderen: ‘Nu zullen we eens zien of Elia echt komt. Of hij Jezus van het kruis af komt halen.’ 37 Maar Jezus gaf een luide schreeuw. Toen stierf hij.
 
 
 
   38 Op hetzelfde moment gebeurde er iets in de tempel. Het gordijn voor de heilige zaal scheurde doormidden, van boven naar beneden.
 
 
 
   39 De Romeinse officier die bij het kruis stond, zag hoe Jezus stierf. En hij zei: ‘Geen twijfel mogelijk! Hij was de Zoon van God!’
 
 Een groep vrouwen staat bij het kruis
 
 
 
   40-41 Een grote groep vrouwen stond op een afstand te kijken. Ze kwamen uit Galilea. Ze waren met Jezus meegegaan naar Jeruzalem. Bij die groep hoorden ook Maria uit Magdala, en Maria, de moeder van de jonge Jakobus en van Joses, en Salome. Zij waren in Galilea steeds bij Jezus geweest, en hadden daar voor hem gezorgd.
 
 Josef vraagt om het lichaam van Jezus
 
 
 
   42 Het werd avond. Het was vrijdag, de dag waarop Joden zich voorbereiden op de sabbat. 43 Josef van Arimatea ging naar Pilatus toe. Josef was één van de Joodse leiders. Hij geloofde dat Gods nieuwe wereld snel zou komen. Hij had de moed om zomaar naar Pilatus te gaan en te vragen: ‘Mag ik het lichaam van Jezus meenemen?’
 
 
 
   44 Pilatus was verbaasd. Hij had niet verwacht dat Jezus al dood was. Daarom riep hij de Romeinse officier erbij. Pilatus vroeg: ‘Is Jezus al dood?’ 45 De officier zei dat Jezus inderdaad dood was. Toen gaf Pilatus toestemming aan Josef om het lichaam van Jezus mee te nemen.
 
 Jezus wordt begraven
 
 
 
   46 Josef haalde het lichaam van Jezus van het kruis af. Hij wikkelde het lichaam in een doek, die hij gekocht had. Daarna legde hij het in een graf. Het was een graf dat was uitgehakt in een rots. Josef rolde een steen voor de ingang. 47 Maria uit Magdala en Maria, de moeder van Joses, zagen waar Jezus begraven werd.
 
 
 
 
 
Marcus 16
 
 Jezus is opgestaan uit de dood
 
 De vrouwen gaan naar het graf
 
 
 
   1 Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria uit Magdala en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome olie met een lekkere geur. Daarmee wilden ze het lichaam van Jezus gaan verzorgen. 2 Op zondag gingen ze naar het graf. Het was heel vroeg in de ochtend, de zon kwam net op.
 
 
 
   3-4 Onderweg zeiden ze tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen wegrollen die voor de ingang van het graf ligt?’ Het was namelijk een erg grote steen.
 
 Maar toen ze bij het graf kwamen, zagen ze dat de steen al weggerold was.
 
 De vrouwen horen dat Jezus is opgestaan
 
 
 
   5 De vrouwen gingen het graf binnen. Daar zagen ze een jonge man zitten. Hij zat aan de rechterkant en hij droeg witte kleren. De vrouwen schrokken vreselijk.
 
 
 
   6 Maar de jonge man zei: ‘Jullie hoeven niet bang te zijn. Ik weet dat jullie op zoek zijn naar Jezus uit Nazaret. Hij is gestorven aan het kruis. Maar hij is opgestaan uit de dood. Hij is niet hier. Kijk, hier heeft hij gelegen.’
 
 
 
   7 De jonge man zei verder: ‘Jullie moeten naar Petrus en de andere leerlingen gaan. En jullie moeten tegen hen zeggen dat Jezus naar Galilea gaat. En dat ze hem daar zullen zien. Precies zoals Jezus ook al gezegd heeft.’
 
 
 
   8 De vrouwen gingen het graf uit. Ze vluchtten weg, want ze waren vreselijk geschrokken. Ze vertelden niemand iets, omdat ze zo bang waren.
 
 Slot van het boek
 
 Maria uit Magdala ziet Jezus
 
 [9 Jezus was opgestaan uit de dood op zondag, vroeg in de ochtend. De eerste die hem zag, was Maria uit Magdala. Jezus had vroeger zeven kwade geesten uit haar weggejaagd.
 
 
 
   10-11 Maria ging naar de volgelingen van Jezus. Die waren verdrietig en huilden. Maria zei tegen hen: ‘Jezus leeft! Ik heb hem gezien!’ Maar zij geloofden haar niet.
 
 Twee volgelingen zien Jezus
 
 
 
   12 Daarna werd Jezus gezien door twee volgelingen. Ze waren onderweg, buiten de stad. Nu zag Jezus er anders uit. 13 De twee gingen het aan de anderen vertellen. Maar die geloofden het nog steeds niet.
 
 De elf leerlingen zien Jezus
 
 
 
   14 Ten slotte werd Jezus gezien door de elf leerlingen, terwijl ze zaten te eten. Jezus zei streng tegen hen: ‘Jullie zijn ongelovig en ongehoorzaam! Want jullie hoorden dat ik uit de dood was opgestaan. Dat vertelden de mensen die mij gezien hadden. Maar jullie geloofden het niet.’
 
 
 
   15 Jezus zei verder tegen de leerlingen: ‘Ga de hele wereld door, en vertel het goede nieuws aan iedereen. 16 Iedereen die gelooft en gedoopt wordt, zal gered worden. Maar iedereen die niet gelooft, zal door God gestraft worden.
 
 
 
   17 Mensen die geloven, zullen wonderen doen. Ze zullen kwade geesten wegjagen door mijn naam te noemen. Ze zullen in onbekende talen spreken. 18 Ze zullen slangen vastpakken. Ze zullen dodelijk vergif drinken en toch niet sterven. En ze zullen zieken beter maken door hun handen op hen te leggen.’
 
 Jezus gaat naar de hemel
 
 
 
   19 Toen de Heer Jezus dat gezegd had, liet God hem naar de hemel gaan. Daar ging Jezus naast God zitten, aan de rechterkant.
 
 
 
   20 De leerlingen gingen op weg. Overal vertelden ze het goede nieuws. De Heer hielp hen, en hij gaf hun de kracht om wonderen te doen. Zo liet hij zien dat het goede nieuws waar is.]
 
 
 
 
 
Deze website aandezwier.info is van Marko Zwier
© Copyright Marko Zwier.
- aan de zwier
- contact - disclaimer - Profiel MKZ -  FAQ
Via de link WebSiteX5 30% korting!
Terug naar de inhoud